Kleine Keverorchis (Neottia cordata)

Eén van de kleinste orchideeën van Nederland. Op een steeltje van ongeveer vijf centimeter staan wat minuscule, groenige bloempjes. Het plantje is erg zeldzaam in Nederland. Op Schiermonnikoog staat zij dankzij de Duitse graaf Von Bernstorff. Deze liet ongeveer honderd jaar

Kleine Maagdenpalm (Vinca minor)

Waar deze plant bloeit wijst dit op oude bosbodems. De plant  groeit in grote groepen. De langwerpig-buisvormige kokervruchten bevatten 2 of 3 zaden, maar in ons land wordt maar zelden zaad gevormd. De naam Vinca komt van het Latijnse vincula

Kleine Pimpernel (Sanguisorba minor)

De plant komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied. De plant wordt ook wel Sorbenkruid of Bloedkruid genoemd. Beide namen houden relatie met de botanische naam. Sanguis = bloed en sorbis (sorba) = opnemen of absorberen. De plant dient als waardplant

Kleine Rode Weekschildkever: zie Soldaatje

Kleine Veldkers (Cardamine hirsuta)

De kleine veldkers komt van nature voor in Europa, Oost-Afrika en oostwaarts in Azië tot aan de Himalaya en is geïntroduceerd in Noord-Amerika. Hij komt voor tuinen, plantsoenen, duinen, akkers, langs heggen, tussen bestrating, sterk verweerde muren en dijken. De planten

Kleine Vos (Aglais urticae)

De wetenschappelijke soortnaam urticae verwijst naar het geslacht Urtica van de waardplant (Grote Brandnetel). De Kleine Vos heeft mooie roodbruine kleuren. De bovenkant heeft een rij blauwe maanvlekken langs de achterrand. Langs de voorrand van de voorvleugel bevinden zich afwisselend enkele

Kleine Vuurvlinder (Lycaena phlaeas)

Foto Jeroen Peijs De soortnaam phlaeas betekent ‘volledig, overlopend van’ en het is ook de bijnaam van diverse Griekse goden. Deze dagvlinder is vooral te vinden bij schrale graslanden. Deze soort vliegt tot een hoogte van 2400 meter in berggebied.

Kleine Watersalamander (Triturus vulgaris)

Overdag leven ze op het land en houden zich schuil. Ze overwinteren meestal onder stenen, maar blijven ook wel eens in het water. Vanaf april tot juni zijn ze te vinden in stilstaand tot zwakstromend water waarin de eitjes worden

Kleine Zilverreiger (Egretta garzetta)

De wetenschappelijke naam betekent ‘reiger met sierverenkapsel’. De naam is afgeleid van het Franse woord ‘egret’ = kleine witte reiger. Aigrettes zijn de sterk verlengde witte schouderveren, die verwerkt werden in een 19de eeuws dameskapsel. De kleine zilverreiger is geheel

Kleine Zonnedauw (Drosera intermedia)

Deze overblijvende, vleesetende plant is in Nederland wettelijk beschermd. De plant komt van nature voor op het noordelijk halfrond in Europa en het oosten van Noord-Amerika. De plant is zowel een zelfbestuiver als een kruisbestuiver. De doosvrucht is gegroefd en bevat

Kleverig Koraalzwammetje (Calocera viscosa)

In Nederland een algemeen voorkomende schimmel. De soort leeft als saprofyt (zie aldaar) op sterk vermolmde stronken en stammen van naaldbomen. Het schimmelweefsel (mycelium) groeit in het hout. In de herfst worden de paddenstoelen (vruchtlichamen) gevormd. De kleur is geel

Kleverig Kruiskruid (Senecio viscosus)

Deze plant is altijd te vinden op droge plaatsen (bermen, ruderale plaatsen, zandgroeven, duinen). De plant zit helemaal vol met kleverige haartjes (naam). De stengels zijn verder grijsgroen en onderaan vaak rood. Ze zijn ook dicht met klierharen bezet, waardoor

Klimop (Hedera helix)

De wetenschappelijke naam Hedera houdt mogelijk verband met het woord voor omklemmen, namelijk ghea. Maar Hedera was ook de naam van het Heiligdom van de God van de Extase en de Wijn, Dionysos/Bacchus. De soortnaam helix betekent spiraal. De houtige stengels kunnen

Klit (of Klis) (Gewone) (Arctium minus)

De wetenschappelijke naam Arctium komt van het Griekse arktos = beer. Waarschijnlijk vanwege de ruwe bladeren en bloemhoofdjes. De soortnaam minus is Latijns voor ‘kleiner’. Deze soort is namelijk kleiner dan andere soorten van hetzelfde geslacht. De klisbollen worden vaak

Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe)

Bij koel, nat weer blijven de bloemen (hangende klokjes) dicht. Tegen de zijwand zit stuifmeel, dat groeit met de bloem mee en komt automatisch op de bovenkant van de lange, kleverige stamper: dit is dus zelfbevruchting! De klokjesgentiaan is een

Kluut (Recurvirostra avosetta)

De betekenis van de wetenschappelijke naam is: Avosetta met omhoog gebogen snavel. De Friese naam Omkearde Wylpebek heeft te maken met het contrast tussen de neergebogen snavel van de Wulp en de omhoog gebogen snavel van de kluut. Bij verstoring

Kneu (Carduelis cannabina)

Betekenis van de wetenschappelijke naam: op distels en hennep voorkomende vogel. De naam Kneu is afgeleid van kneuteren, gezellig kletsen. De karmijnrode borst en kruin van het mannetje in het voorjaar, bezorgd hem o.a. de volgende volksnamen Robijntje (Utrecht), Robientje

Knikkend Wilgenroosje (Chamerion angustifolium)

De naam Wilgenroosje slaat op de bladvorm, die aan de wilg doet denken; vandaar ook de soortnaam angustifolium (met smal blad). Het Nederlands deelwoord ‘roosje’ is hier een algemene aanduiding voor rode bloemen. Deze ooit zeldzame plant is een echte

Knobbelzwaan (Cygnus olor)

Van oudsher komt deze soort als wilde vogel in Nederland voor. Maar de knobbelzwanen werden bejaagd vanwege de overlast van uitwerpselen op weilanden en werden uiteindelijk uitgeroeid. De soort kwam alleen nog in gevangenschap voor. Enkele exemplaren zagen toch kans

Knoflookpad (Pelobates fuscus)

De soortnaam fuscus betekent ‘donker, duister’. De Nederlandse naam komt door het naar knoflook ruikende spul, dat door de huid wordt afgegeven bij gevaar. Dit gebeurt maar zelden. Hij drukt zich meestal plat tegen de grond, blaast zich vol met lucht

Knolsteenbreek (Saxifraga granulata)

Dit is een stinzenplant. De gekweekte vorm is Haarlems klokkenspel. De plant kwam vroeger algemeen voor op buitenplaatsen op en rond Haarlem. Het is ook een soort van oude beemden. In de 19de eeuw was de plant ten zuiden van de

Knoopkruid (Gewoon of Echt) (Centaurea jacea)

Betekenis van de wetenschappelijke naam Centaurea komt van het Griekse kentaureion: plant van de centaur. Bedoeld wordt dan de centaur Chiron, die de geneeskunde ‘uitvond’. De plant werd voor het eerst in Nederland gevonden in 1884, langs de weg van

Knopbies of Zwarte Knopbies (Schoenus nigricans)

Dit is een plant uit de Cypergrassenfamilie. De plant vormt pollen en vallen op door hun typisch grijze kleur. Vaak staan en orchideeën of parnassia’s in de nabije omgeving. De vegetatiekundige Victor Westhoff (1916-2001) noemde groeiplaatsen van de knopbies dan ook ‘een grijze zee’. Een karakteristieke

Knopherik of Wilde Radijs (Raphanus raphanistrum)

De wetenschappelijke naam Raphanus komt van het Griekse raphanis = radijs, kool. Dit is één van de meest verspreide akkergewassen. Hij komt ook voor langs wegen en dijken en op ruderale terreinen (zie aldaar). De plant wordt vaak verward met

Knopig helmkruid (Scrophularia nodosa)

De wetenschappelijke naam Scrophularia komt van het Latijnse scrophula = halszweer, dit omdat de plant werd gebruikt bij scrofulose (opgezette lymfeklieren). De soortnaam nodosa komt van het Laijnse nodus = knoop. Dit slaat op de knopige wortelstok van de plant. De

Knotwilg

Dit is eigenlijk een schietwilg. In het verleden werd het knothout gebruikt door boeren. Om de 4-5 jaar werden de takken ‘geoogst’ om manden te vlechten, hoepels voor tonnen, bezems en palen. Als je een wilgentak in de grond zet,

Knutten of Kneiten (Ceratopogonidae)

Deze knutten vormen een familie van muggen uit de orde Tweevleugeligen. Ze worden ook knaasjes, knijten, mietsen, neefjes of meurzen genoemd. Er komen circa 700 soorten voor in Europa: in Nederland zo’n 100 soorten. Knutten zie je meestal in de

Koekoek (Cuculus canorus)

De wetenschappelijke naam betekent: welluidende koekoek. In vroeger tijden kreeg de vogel bijzondere aandacht. Voor dichters was hij een geliefd onderwerp, met name voor de Engelse dichters. In bijna alle talen wordt hij genoemd naar ‘t geluid dat hij voortbrengt:

Koekoekswesp (Dolichovespula adulterina)

Bij deze zeldzame wespen bestaan er geen werksters, alleen maar mannetjes en vrouwtjes. Het vrouwtje ontwikkelt zich als broedparasiet in de nesten van de Saksische wesp. Ze dringt bij een nog jong gastheernest naar binnen, vreet de eitjes van het bestaande

Koevinkje (Aphantopus hyperantus)

Het koevinkje is een zeer donkere vlinder. Het mannetje is bijna zwart, het vrouwtje is lichter van kleur en daardoor zijn de oogvlekken bij haar beter te zien (met name aan de onderzijde van de vleugels). Deze vlinder tref je

Koffievuurtjeszwam of Oliebolzwam (Rhizina undulata)

Deze zwam groeit op plekken waar de grond is verbrand. Na een bosbrand spelen een aantal brandplekpaddenstoelen een grote rol bij het herstel van het bodemleven en het vasthouden van voedingsstoffen. Bijvoorbeeld na de grote brand in 2010 bij de

Kokerjuffers

Zo worden de larven van Schietmotten (Trichoptera) genoemd. De naam heeft te maken met de verplaatsbare huisjes of kokertjes die de meeste soorten bouwen. Dit doen ze om in te schuilen en om zuurstofrijk water rond te pompen. De kokers

Kokkel (Cerastoderma edule)

De Latijnse soortnaam edule betekent ‘eetbaar’ of ‘smakelijk’. Andere namen zijn Eetbare schelp en Kokhaan. Het is de meest bekende, eetbare kokkel, die op grote schaal wordt gevist in Groot-Brittannië, Nederland en Frankrijk. In Nederland zijn ze vooral te vinden

Kokmeeuw (Larus ridibundus)

Betekenis van de wetenschappelijke naam is: lachende meeuw. De kokmeeuw heeft als bijnaam Kapmeeuw omdat hij een witte kop heeft, maar zomers een donkerbruine kop. Kokmeeuwen zijn alleseters, die weten te profiteren van allerlei menselijke afvalbronnen om hun natuurlijk dieet

Kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum)

Dit is een dagactieve nachtvlinder uit de familie Pijlstaarten. Hij wordt ook wel Onrustvlinder genoemd. In Nederland wordt ie regelmatig gezien als trekvlinder, in 2005 en 2006 zelfs massaal. Hij kan nectar drinken met zijn lange roltong. Ook is hij

Komkommerkruid: zie Bernagie

Konijn (Oryctolagus cuniculus)

Oorspronkelijk kwam het konijn alleen voor op het Iberisch Schiereiland. Spanje heeft zijn naam te danken aan het konijn. Toen de Phoeniciërs rond de 11de eeuw v.Chr. het Iberisch Schiereiland bereikten, liepen er veel konijnen rond. Ze vonden deze dieren erg lijken op de voor

Koninginnenkruid of Leverkruid (Eupatorium cannabinum)

De naam Koninginnenkruid is ontleend aan een vorstin uit de 1ste eeuw v. Chr. Ze hechtte veel waarde aan geneeskrachtige kruiden. De naam Leverkruid: bij grote hoeveelheden tast hij de lever aan en kan leverkanker veroorzaken. De soortnaam cannabinum verwijst

Koninginnenpage (Papilio machaon)

Deze vlinder is met een spanwijdte van circa 7 centimeter de grootste dagvlinder in Nederland. De mannetjes zijn iets kleiner dan de vrouwtjes. Het zijn snelvliegende vlinders die vooral in onbemeste of licht bemeste bloemrijke graslanden, akkers en bermen te

Koningskaars (Verbascum thapsus)

De soortnaam komt van Thapsus: een Grieks eiland waar de toorts veel bloeit. Deze stikstofindicator (= aanwijzer) heeft viltachtige bladeren en daarop staan dikke, donzige haren. Deze haren beschermen de plant tegen aanvallen van insecten en irriteren de slijmvliezen van

Koningsvaren (Osmunda regalis)

De wetenschappelijke naam Osmunda is in de 16de eeuw gegeven door de Vlaamse plantkundige en arts Mathias de L’Obel. De naam zou verwijzen naar de Keltische naam voor de Germaanse god Thor (Osmund of Osmunder). Een ander verklaring zou zijn

Koolmees (Parus major)

De koolmezen voeden hun jongen met rupsen. Dat zal de plaats van het nest bepalen. Aan het eind van de winter gaan de koolmezen naar het bos. Eiken bijvoorbeeld, bieden een overvloed aan rupsen (zoals die van de Kleine wintervlinder). De

Korenaren in de symboliek

De korenaar is het symbool van Christus, het Brood des Levens, van de Eucharistie of het Avondmaal. Maar ook van overvloed en welvaart. Al in een ver verleden was koren een symbool van de hoop op een leven na de

Korenbloem (Centaurea cyanus)

Ook wel Wilde korenbloem. De Latijnse naam Centaurea verwijst naar mythologische centauren. Dat waren wezens, half mens half paard, die beroemd waren om hun geneeskundige kennis en ervaring. De korenbloem dankt zijn naam aan zijn groeiplaats: op de akkers tussen

Korenwolf of Gewone Hamster (Cricetus cricetus)

In het Limburgs dialect betekent het woord woof (wolf) ‘inhalig’ en koren slaat op zijn voedsel. Korenwoof is in de vertaling naar het Nederlands verbasterd tot korenwolf. Dit is geen wolf maar een hamster en hij komt vooral voor op

Korhoen (Tetrao tetrix)

Al duizenden jaren geleden kwamen korhoenders in Nederland voor. De oudste vermelding voor Drenthe staat in het plakkaat van de jacht van 1563. De stand tussen 1900 en 1930 was het hoogst. Maar het aantal korhoenders nam helaas af door

Korstmossen of Lichenen

Dit is een samenlevingsvorm tussen een schimmel en een alg. De schimmel zuigt voedingsstoffen uit de algencellen. De algen voorzien zichzelf van voedsel door middel van fotosynthese. In een korstmos leven de schimmel en de alg beide van voedingsstoffen. Op

Kraakwilg (Salix fragilis)

De naam Kraakwilg refereert aan het Latijnse fragilis: de eigenschap dat tweejarige twijgen bijzonder makkelijk en recht afbreken als ze achterover gebogen worden. De wilgenbast bevat salicylzuur, wat de basis is voor aspirine. Er komen allerlei beestjes op de wilg

Kraamwebspin (Pisaura mirabilis)

Het paringsritueel is bij deze spin best bijzonder. Het mannetje neemt een ‘cadeautje’ mee voor het vrouwtje. Terwijl ze het maaltje opeet, doet het mannetje pogingen om te paren. Als dit niet lukt, zal het vrouwtje ook het mannetje opeten.

Kraanvogel (Grus grus)

Deze vogel is waakzaam en was daarom wel een symbool voor de mens (bijvoorbeeld voor de adel). In Japan is hij het symbool voor geluk. Al in 800 v. Chr. sprak de Griekse dichter en zanger Homerus al in de

Krabbenscheer (Stratiotes aloides)

De wetenschappelijke naam stratiotes is Grieks voor ‘soldaat’. De naam Krabbenscheer heeft de plant gekregen omdat de schutblaadjes lijken op de scharen van een krab. Krabbenscheer kom je niet zo vaak tegen: het groeit alleen in voldoende schoon water. Het

Kramsvogel (Turdus pilaris)

Dit is de kleurrijkste onder de Lijsterfamilie. Deze wintergast laat een vrolijk geratel horen. Tjakkers heten ze ook wel, naar hun roep ‘Tsjaktsjaktsjak’. De trek is het sterkst in oktober en november. Langs de kust en randmeren treedt dan vaak

Kranswieren (Characeae)

Dit zijn de voorouders van de landplanten. Ze planten zich net als varens en mossen voort met sporen. Kranswieren komen overal voor, behalve op Antarctica. Ze groeien in helder, voedselarm, onbeschaduwd, stilstaand tot zwak stromend water. In Nederland komen kranswieren,

Krentenboompje: zie Drents krentenboompje

Kriebelmuggen of Knijten (Simuliidae)

Er zijn meer dan 1800 soorten Kriebelmuggen bekend. Het zijn zwarte mugjes, herkenbaar aan hun bredere vleugels. De larven leven uitsluitend in stromend water. Ze zetten zich, vaak in massa’s bijeen, op stenen en planten. Dit doen ze met behulp van

Kroeskarper (Carassius carassius)

Deze vis heeft een bijzondere eigenschap: hij heeft zijn lichaamsvorm aangepast aan de aanwezigheid van predatoren (= roofvissen). Op plekken waar predatoren, zoals de snoek, niet voorkomen, blijft het lichaam laag zoals bij een goudvis. Als er wel snoeken aanwezig

Kroezenboom, Kroesenboom of Kruisboom

Een kroezenboom werd geplant met als doel de grens van een stuk land aan te geven. Die grens werd bepaald door een kruis in een boom te kerven. In het oosten van Nederland werden vaak stenen of bomen gebruikt als

Krooneend (Netta rufina)

De naam ‘krooneend’ is vanwege zijn opvallende oranje kuif. Zijn snavel is koraalrood en zijn kop vosoranje. Ze zijn veel gehouden als siervogel. Tijdens de balts zet het mannetje zijn kroonveren op, waardoor de kleur nog meer opvalt. Hierbij maakt

Kruidvlier (Sambucus ebulus)

Dit is een zeldzame soort die meestal langs rivieren gevonden wordt. De wetenschappelijke naam van Vlier luidt Sambucus, van het Griekse sambuke = fluit. Ook in de Engelse benaming van vlier komt dit muziekinstrument terug: Pipe-tree. Kruidvlier bloeit als laatste van

Kruipend Stalkruid (Ononis repens)

De wetenschappelijke naam Ononis komt van het Griekse onos = ezel: men zegt dat vooral ezels deze plant een lekkernij vinden. Onder de grond heeft de plant een bijzonder taai wortelstelsel dat een door een paard voortgetrokken ploegschaar kan tegenhouden!

Kruipend Zenegroen (Ajuga reptans)

In Friesland Krûpend grien genoemd. De naam Zenegroen komt uit het Middel-Nederlandse ‘singroone’ en betekent ‘altijd groen’. De geslachtsnaam Ajuga komt van het Griekse agyios, ‘met zwakke gewrichten’. De soortnaam reptans komt uit het Latijn en betekent ‘kruipend’ en slaat

Kruipertje of Muizengerst (Hordeum murinum)

Deze grassensoort behoort tot het geslacht Gerst, waartoe ook onze graansoort Gerst hoort. De aren van dit gras kruipen (naam) gemakkelijk in je mouwarm. Algemeen, maar zeldzaam in het noordoosten. In Friesland Mûzeweet genoemd. Kruipertje is van oorsprong afkomstig uit

Kruisbek (Laxia curvirostra)

De betekenis van de wetenschappelijke naam: vogel met zijwaarts gekromde snavel. Volksnamen als Krombek, Krússnaffel (Friesland), en Scheervink (scheer= schaar) (Kempen), hebben ook betrekking op zijn snavel. In Limburg noemt men hem Zigeunervogel, dit vanwege zijn aparte trekgewoonten. Soms komen

Kruisbes (Ribes uva-crispa)

De oorsprong van de kruisbes is niet bekend. Reeds in de 12de eeuw kwam ze in Frankrijk voor, tenminste in oude boeken wordt ze genoemd onder de naam Grosiellier (vroeger ook bekend onder den naam Bibes grossularia). De kruisbes is

Kruisspin (Araneus diadematus)

Deze spinnen maken schitterende webben, vooral tussen lage takken van bomen en struiken. Overdag zit de spin midden in het web. Aan het achterlijf zitten spintepels die hol zijn. In het lichaam wordt een bepaalde stof aangemaakt die de spin

Krulzoom (Gewone-) (Paxillus involutus)

Deze paddenstoel groeit vaak samen met een andere paddenstoel, de Kastanjeboleet. Hij is in heel Nederland zeer algemeen: in bossen, parken, wegkanten en tuinen. Vanaf juli verschijnt deze paddenstoel al. Hij groeit soms op dood hout. De paddenstoel heeft een bilvorm.

Kuifleeuwerik (Galerida cristata)

Van oorsprong komt deze vogel voor in steppen en halfwoestijnen. De wetenschappelijke naam wil zeggen: vogel met kuif. In Groningen kreeg ie de bijnamen Toefke en Toplaiwerk. Omdat hij een echte cultuurvolger is en vaak te vinden bij (zand)wegen, dijken

Kuifmees (Parus cristatus)

Hij heeft een parmantig kuifje en bij opwinding wordt deze zo mogelijk nóg verder opgezet. Vanwege dit kuifje kreeg hij onder andere de volksnamen Toefmaiske (Groningen), Toefmieske (Friesland), Toefvinke (Achterhoek). Hij heeft een zachte roep en bijna een triller met een

Kussentjesmos (Leucobryum glaucum)

Kussentjesmos is met name te vinden aan de westkant van het bos, waar het meer inregent. Als het erg droog weer is worden de bladeren witgelig. Normaal zijn de bladeren grijsgroen. Naarmate het mos ouder wordt, sterft het centrum af.

Kwabaal (Lota lota)

In Nationaal Park Weerribben en Wieden is een kwabaal van 71 centimeter lang gevangen (mei 2012)! Het is tot nu het langste geregistreerde exemplaar in Nederland. Het laatste record werd behaald in 1894, in het Friese Terkaple. Die kwabaal had

Kwak

1. Reigersoort (Nyctiocorax nyctiocorax = nachtraaf). Ook Nachtreiger genoemd. Eeuwen geleden was de jacht op deze vogel populair (voor wildbraad en vanwege zijn eieren). Rond 1900 werd hij vooral gevangen in Duitsland vanwege de lange, witte nekveren (de zogenoemde  Bismarckveren),

Kwallen

Dit zijn holtedieren: ze hebben een grote holte midden in het lichaam , en dat is een primitieve vorm van een spijsverteringskanaal. Alle kwallen hebben aan de buitenzijde een zogenoemd scherm (wat lijkt op een parachute). Aan de rand zitten

Kwartel (Coturnix coturnix)

  De naam Kwakkeldôf (Friesland) duidt erop dat deze schuwe vogel doof lijkt. Bij gevaar wacht hij namelijk tot het allerlaatste moment om te vluchten. Vanwege zijn drie-lettergrepige kwartelroep kwik-me-dit,  (hij zingt niet echt, hij slaat) kreeg hij onder andere

Kweek (Elytrigia repens)

De soortnaam repens komt van het Latijnse repere = kruipen, voortkruipende plant. De oude naam is Blauwgroen Tarwgras (18de eeuw). De kweek is zeer goed tegen droogte bestand. Het is een gras van allerlei gronden: akkerranden, bermen, langs rivier- en

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Dit is een grote vleermuis uit de familie Gladneuzen. De Nederlandse naam is vanwege het feit dat hij later uitvliegt dan een andere grote vleermuissoort, de Rosse vleermuis of Vroegvlieger. De laatvlieger vliegt tijdens de jacht zelden verder dan twee

Lamsoor (Limonium vulgare)

Deze plant behoort tot de Strandkruidfamilie. De plant kreeg de naam Lamsoor vanwege de bladeren: die lijken op het oor van een schaap. Aan het puntje van elk blad zit een klein stekelpuntje (dit is een goed herkenningspunt). De wetenschappelijke naam

Landkaartje (Araschnia levana)

Het landkaartje heeft een voorjaarsvorm en een zomervorm die uiterlijk veel van elkaar verschillen, maar de onderkant van de vleugels vertoont altijd een karakteristiek landkaartpatroon: een netwerk van lijnen (naam). Ook de wetenschappelijk naam Araschnia (= spinnenweb) wijst hierop. De

Langpootmuggen (Tipula)

De Koollangpootmug (Tipula oleracea) vliegt van april tot juni en een tweede generatie van augustus tot oktober. De Moeraslangpootmug (Tipula paludosa) vliegt alleen in augustus en september en Tipula czizeki is alleen in oktober en november bovengronds te zien. De

Lantaarntje (Ischnura elegans)

Het is een vrij kleine waterjuffer met een helemaal zwart achterlichaam, uitgezonderd segment (= onderdeel) 8, wat bij de mannetjes fel hemelsblauw is. Dit blauwe sigment licht als het ware op in het verder zwarte achterlichaam. Vandaar de naam Lantaarntje.

Lavendelheide (Andreomeda polifolia)

De wetenschappelijke naam Andreomedais gegeven door Linnaeus (zie aldaar). De mooie roze bloempjes deed hem denken aan een jong meisje uit de mythologie, dat aan de rotsen gekluisterd was, maar tenslotte door Perseus gered. Dit is een altijd-groen dwergstruikje met

Leliehaantje (Lilioceris lilii)

Dit is een kevertje uit de familie Bladhaantjes en komt voor in onze tuinen. Het heeft een felrood borststuk en dekschilden, maar de rest van het lichaam is zwart. Dit haantje is vrijwel de hele lente en zomer te zien

Lepelaar (Platalea leucorodia )

Wetenschappelijke naam: witte reiger met platte snavel. Deze vogel is het symbool van de Vogelbescherming. Ook komt hij al voor op het schilderij “Tuin der Lusten” (1480-1490) van de Bossche kunstschilder Jeroen Bosch. De lepelaar filtert met zijn lepelvormige snavel het

Levendbarende Hagedis (Zootoca vivipara)

Ook genoemd Kleine Hagedis. Het vrouwtje baart levende jongen in plaats van eieren te leggen (ovovivipaar). De vrouwtjes broeden de eieren als het ware uit in het moederlichaam. De rug is vaak bezaaid met donkere en lichte vlekjes. De buik

Levensboom (Thuja)

De boom is in eerste instantie een perfect symbool voor het leven zelf. Met zijn wortels in de aarde heeft hij contact met de onderwereld. Met zijn takken reikt hij naar de hemel. Hij is een bemiddelaar tussen goden en

Leverkruid: zie Koninginnenkruid

Libellen (Odonata)

De ontwikkeling van de libel gaat via een eitje, tot larve (rups), tot volwassen insect (imago) met vleugels. Libellen ondergaan 9-16 vervellingen! Het meest opvallende aan de kop zijn de samengestelde ogen, die uit 10.000 tot 30.000 facetjes bestaan. Om

Lichenen: zie Korstmossen

Lidrus (Equisetum palustre)

De wetenschappelijke naam Equisetum komt van het Latijnse equus =paard en seta = borstel, paardentaart. De deelnaam palustre komt van het Latijnse palus = poel, moeras. Lidrus komt voor op vochtige, pas omgewerkte grond, vaak slootkanten en wegbermen. Het is een pioniersoort

Lidsteng (Hippuris vulgaris)

De wetenschappelijke naam Hippuris is afgeleid van de Oudgriekse woorden hippos = paard en oura = staart. De Friese naam is Krûpelreid. De plant kan grote massa’s gaan vormen. De stengels boven water lijken op een dennentakje. De plant werd

Liesgras (Glyceria maxima)

Vocht- en stikstofindicator (= aanwijzer). De stengels zijn hol. Vroeger maakte  men er een fluitje van.  De plant vormt lange uitlopers. In de jonge scheuten komt blauwzuur (een zeer giftig cyanide) voor. In Friesland Stuitlies genoemd. Oude 19de eeuwse Nederlandse naam

Lieveheersbeestjes (Onze) (Coccinellidae)

Deze keversoorten leven zowel van planten en schimmels als van kleine diertjes, veel soorten zijn sterk gespecialiseerd. De grootte van de Nederlandse soorten ligt tussen 2 en 10 millimeter: in Nederland komen een zestigtal soorten voor. De meeste lieveheersbeestjes leven

Lievevrouwebedstro (Galium odoratum)

Deze plant komt in Nederland voornamelijk in schaduwrijke bossen in Zuid-Limburg voor. Het naamgedeelte odorata betekent welriekend. De naam Bedstro is ontstaan omdat het als strooikruid in de slaapkamers werd gebruikt en dat het bij ziekte boven het bed werd

Liguster (Gewone of Wilde) (Ligustrum vulgare)

De wetenschappelijke naam is afkomstig van Ligurië, bij Genua. Dit is een plant uit de Olijffamilie. De plant komt van nature voor in de Benelux en komt op alle continenten voor, behalve in Amerika. Je vind de struik in de

Lijsterbes (Sorbus aucuparia)

In Drenthe maakte men in het voorjaar fluitjes van de takken. Dit leverde de boom de naam Fluitiesboom  op. Je kon deze fluitjes alleen maken wanneer in het voorjaar de sapstroom in de boom volop aan de gang was. Tijdens

Linde: zie Zomerlinde

Lindepijlstaart (mimas tiliae)

De soortnaam tiliae is Latijns voor ‘linde’: een van de waardplanten van de rups. Deze soort onderscheid zich van vrijwel alle andere Nederlandse pijlstaarten. Het mannetje is meestal groenig en het vrouwtje is meer oranjeroze getint (kleur en tekening kunnen

Linnaeusklokje (Linnaea borealis)

Een Zweeds arts, plantkundige (geneeskunde en botanie gingen toen nog samen), zoöloog en geoloog, Linnaeus, Carolus of Carl (1707–1778) genaamd, heeft dit plantje naar zichzelf vernoemd. Hij ontdekte het plantje in 1732 tijdens een studiereis door Lapland. Het plantje is

Lisdodde: zie Grote Lisdodde

Longkruid: zie Gevlekt Longkruid

Look-zonder-Look (Alliaria petiolata)

De botanische naam Alliaria is afgeleid van het woord voor knoflook. Overigens verspreiden niet alleen de bladeren, maar ook de zaden en wortels deze geur. De bladeren kunnen gekookt of rauw gegeten worden, bij fijnwrijven ruiken ze naar uien of

Luzerne (Medicago sativa)

Luzerne is een inheemse plant in Europa en wordt wereldwijd verbouwd als veevoer. In Nederland wordt het hoofdzakelijk kunstmatig gedroogd voor de productie van eiwitrijk veevoer. Zoals andere Vlinderbloemigen heeft de plant het vermogen, om met behulp van stikstofbindende bacteriën, stikstof

Maagdenpalm: zie Kleine Maagdenpalm

Maarts Viooltje ( Viola odorata)

De geslachtsnaam Viola komt via het Latijnse Viola van het Griekse (w)ion, ‘welriekende plant’. De soortnaam odorata betekent ‘welriekend’. Het is het énige viooltje met geurende bloemen: het is een zoete geur. De plant werd geteelt om er siroop van

Madeliefje (Bellis Perennis)

De wetenschappelijke naam staat voor ‘Eeuwige schoonheid’. Made betekent weide, grasveld: het plantje komt dan ook overal voor in gazons en graasweiden. Een oude naamsverbastering ‘Maagdelief‘ heeft de bloem in verband gebracht met de Heilige Maagd Maria. Nadat zij de

Magnolia of Beverboom (Magnolia x soulangiana)

Deze boom heeft zijn naam te danken aan de Franse Pierre Magnol (1638-1715). Deze hoogleraar in de botanie was directeur van de botanische tuin in Montpellier. De Engelse botanicus Plukenett ontdekte de boom in de 18de eeuw in Florida. Hij

Mannagras (Glyceria fluitans)

De plant komt onder andere voor op natte, voedselrijke grond langs sloten, in grasland, loofbossen. Mannagras bloeit van mei tot augustus met lange, smalle pluimen. De plant werd al sinds de steentijd gegeten. Ook wordt ze door vee graag gegeten

Mannetjesereprijs (Veronica officinalis)

De wetenschappelijke naam Veronica is afgeleid van de Heilige Veronica, die met een doek het gelaat van de lijdende Christus bette. Op het doek zouden de gelaatstrekken van Jezus zijn achtergebleven, met een beetje (veel) verbeeldingskracht kan men in de

Mannetjesorchis (Orchis mascula)

De naam Orchis is afgeleid van het Griekse woord voor ‘testikel’, wat wijst naar de twee ronde knolletjes ondergronds. De plant stond vroeger bekend om zijn gunstige invloed op de menselijke geslachtsdrift, vanwege deze  gepaarde knolletjes. De oude Grieken dachten

Maretak of Mistletoe of Vogellijm (Viscum album)

De wetenschappelijke naam komt van het Latijnse viscum = lijm en album = wit. Oud-Germaans mist = mest. Volksnamen zijn Boomkruid, Duivelsnest en Heksennest. Bij vele volkeren speelde deze plant een rituele rol. De Germanen beschouwden hem als heilig. De

Margriet (Gewone) (Chrisanthemum vulgare)

De naam Margriet komt van het Oudgriekse margarites, dat weer uit het Babylonisch komt en ‘parel’ betekent. Het is een Vlinderplant. De plant groeit vaak in groepen op zonnige, vrij open plaatsen die gemaaid worden: hooiland, soms in weiland, bermen,

Mariadistel (Silybum marianum)

Deze distel heeft witgevlekte bladeren. “Eens dat Maria het kindeke Jezus liet zuigen, vielen eenige melkdruppels op het kruid, dat sinds dien tijd witte makels op de bladschijf vertoont”. Ook wel Onzer-Vrouwenborstenkruid en Onzer-Vrouwenspeen of –spin  genoemd. In Nederland is

Mattenbies (Schoenoplectus lacustris)

De gedroogde stengels van de Mattenbies werden vroeger gebruikt om stoelen te matten. De harde wortelstok is eerst wit, maar wordt later geel- tot roodbruin. De meestal ronde stengels zijn glad en kunnen tot meer dan 3 meter lang worden.

Medicinale Bloedzuiger (Hirudo medicinalis)

Deze  werd vroeger gebruikt voor aderlatingen. Men zette de bloedzuiger op de huid en hij zoog het bloed op. Daarna duwde men het bloed eruit, anders zou de bloedzuiger verzadigd zijn. Het bloed werd onderzocht en de ziekte of kwaal

Medusekwalletje (Mitrocomella polydiademata)

  Dit kwalletje is in maart 2014 ontdekt bij het Balgzand in de Waddenzee door bioloog Lodewijk van Walraven van het onderzoeksinstituut NIOZ. Het is een sierlijk kwalletje van maar 15 millimeter groot en heeft een paars randje. Hij bezit

Meekrap (Rubia tinctorum)

De plant wordt ook wel Mee of Mede genoemd. De wortels van deze plant werden vroeger als verfstof in de textielindustrie gebruikt, omdat ze de grondstof voor de rode kleurstof alizarine bevatten. In het stadsarchief van Zierikzee bevindt zich een

Meerkikker: zie Grote Groene Kikker

Meerkoet (Fulica atra)

Aanvankelijke was zijn naam Meerkol, vanwege de opvallend witte vlek of bles (kol) boven de snavel. In Zeeland kreeg hij de naam Kobie, zoiets als ‘druktemaker’. Maar Poep (Friesland) is een scheldwoord daar (achterwerk e.d.). Die naam werd vroeger gegeven

Meiboom

Het Meifeest, met als hoogtepunt het planten van een meiboom, is al erg oud. Het was een van de grootste feesten dat in heel West-Europa werd gevierd. Het Meifeest is het feest van het begin van de zomer, van de

Meidoorn (Crataegus sp.)

De geslachtsnaam Crataegus is afgeleid van het Griekse woord kratos, wat slaat op de hardheid van het hout. De soortnaam oxyacantha is samengesteld uit de twee Griekse woorden oxus = scherp en kantha, wat verwijst naar de doorns van de

Meikever (Gewone) Melolontha melolontha

Zijn sprieten eindigen in bladvormige plaatjes, welke net zoals een boek tegen elkaar liggen, en dan een knotsje vormen. Maar ze kunnen deze wel uitspreiden als een waaier. Bij de mannetjes zijn de sprieten langer en ze hebben er ook

Melganzevoet (Chenopodium album)

De wetenschappelijke naam Chenopodium komt van het Griekse chen = gans en podos = voet: sommige bladeren hebben de vorm van een ganzenvoet. De soortnaam album betekent wit. Deze planten produceren enorm veel zaden, die door mussen en andere vogels

Melkdistel (Gewone-) (Sonchus oleraceus)

De naam Sonchus  komt van het Griekse ‘somphos’ dat zacht, slap betekent en oleraceus van ‘olus’, dat groente betekent. De plant kreeg de deelnaam distel mee, maar de stekeltjes langs de randen van het blad stellen niet veel voor. De stengels

Melkkruid (Glaux maritima)

De wetenschappelijke naam Glaux komt van het oud-Griekse woord glauxos = blinkende groenblauwe zee. Dit slaat op de grijsgroene kleur van het melkkruid. De soortnaam maritima betekent ‘zee’. Dit is een algemene plant op de Waddeneilanden en het Friese polderlandschap.

Merel (Turdus merula)

De merel is een zeer algemene broedvogel in ons land. Van oorsprong was het een bosvogel maar nu treffen we hem ook aan in dorp en stad. In de winter wordt de plek van de zomer-merels ingenomen door exemplaren uit

Meriansborstel (Calliteara pudibunda)

De vlinder is vernoemd naar de bekende vlinder- en insectenschilderes Maria Sibylla Merian (1647-1717). De meriansborstel is een dagactieve nachtvlinder uit de familie Donsvlinders. De rups is veel mooier dan de vlinder. De rups kun je met geen enkele andere soort vergelijken:

Mestkever (Gewone) (Geotrupes stercorarius)

Ook Paardenmestkever genoemd. Deze kever eet uitsluitend mest van planteneters. De mestbollen die ze met de stevige poten maken, zorgen tevens voor voedsel voor de larven. Ze worden aangetrokken door sterk geurende eiwitten en je ziet ze vooral bij koeienmest. Met

Middelste Bonte specht (Dendrocopos medius)

Dit is een zeldzame spechtensoort in Nederland. In 2006 broedden er circa 130 paartjes in Nederland, niet alleen meer in Limburg, maar ook in Twente, de Achterhoek en Noord-Brabant. De hoogste dichtheden worden bereikt in het uiterste zuidoosten van het

Middelste teunisbloem (Oenothera biennis)

Al sinds de 17de eeuw bekend in ons land. Oorspronkelijk afkomstig vanuit Amerika. Je kunt de middelste teunisbloem vinden op omgewerkte grond, bermen, duinen (o.a. in laag duindoornstruikgewas), dijken, ruigten, afgravingen (zand- en steengroeven), langs spoorwegen bij steenfabrieken en stortplaatsen.

Mieren

Over de hele wereld komen zo’n 12.000 miersoorten voor die beschreven zijn, in  Nederland leven er 50 soorten. Mieren zijn insecten en hebben dus zes poten. De maag zit, net zoals de krop, aan het achterlijf. Een krop is een

Mierenleeuw (Myrmeleon formicarius)

De naamtoevoeging ‘leeuw’ heeft te maken met de stevige grijpkaken. De eigenaardige levensloop begint zomers, wanneer de mierenleeuwjuffer uit haar cocon is geslopen en enkele eieren in het zand deponeert. De larve die hier uit komt graaft zich in en

Mierlose Zwarte Kers

De plaats Mierlo (Noord-Brabant) is bekend vanwege een kersenras, de Mierlose Zwarte, dus. Het is een hartvormige kers met een korte steel. De Mierlose Zwarte is beroemd vanwege de bijzondere smaak. Hoe het ras is ontstaan is niet bekend. De

Miljoenpoten (Diplopoda)

Bij de kop hebben deze geleedpotigen zintuiglijke organen die samen het orgaan van Tömösváry worden genoemd. Het zijn ovaalachtige ringen aan de basis van de antennes. Waarschijnlijk dienen ze om de vochtigheidsgraad waar te nemen. De naam klopt eigenlijk helemaal

Mispel (Mespilus germanica)

De mispel is een kleine boom, die tot circa 4,5 meter hoog wordt. In Nederland voorkomende rassen zijn Bredase Reus, Westerveld en Nottingham. Drieduizend jaar geleden werd de mispel al in de omgeving van de Kaspische Zee (Noord-Iran) aangeplant en kwam

Mistletoe: zie Maretak

Modderkever (Hygroba hermanni)

De bijnaam is Waterpieptor. Deze gelige/lichtbruine kever heeft een opvallend lange kop en de ogen puilen wat uit. Je kunt hem vinden in stilstaande wateren die een kleibodem hebben. Hij eet graag wormen. Bij verstoring maakt hij een piepend geluid.

Moederkoren (Claviceps purpurea)

Dit is een parasitaire schimmel, die op grassen kan voorkomen, dus ook op granen (veredelde grassen). Rogge is favoriet. De vruchtbeginselen van de grassen worden geïnfecteerd en gedood. In plaats van graankorrels worden ruststadia van de schimmel gevormd, de sclerotia,

Moederkruid (Tanacetum parthenium)

In Friesland Sulverknoopke en in Noord-Brabant Hemdeknupke genoemd. De plant zie je niet meer in moderne tuinen maar wel vaak overvloedig in ouderwetse boerentuinen. De bloempjes doen denken aan kamille en heel de plant heeft een karakteristieke geur. Oude 19de

Moerasspirea (Filipendula ulmaria)

Betekenis van de wetenschappelijke naam: filium = draad en pendere = hangen. Dit slaat op de ‘hangende’ wortelknolletjes. Ze hangen als het ware aan een draadje (wortelharen). De naam ulmaria komt van het Latijnse ulmus = iep. Dit omdat de

Moerasvaren (Thelypteris palustris)

De wetenschappelijk naam Thelypteris is afkomstig van het Griekse thelys = vrouw en pteris = varen. De soortaanduiding palustris komt uit het Latijn en betekent ‘moerasbewonend’. De bladeren zijn niet winterhard. Er zijn twee types bladen, vruchtbare bladen en onvruchtbare

Moerasvergeet-mij-nietje (Myosotis scorpioides)

De wetenschappelijke naam is afkomstig van het Griekse myos = muis en otis = oor: naar het uiterlijk en de beharing van de blaadjes. Sinds de middeleeuwen geldt het Vergeet-mij-nietje als het symbool van liefde en trouwe nagedachtenis. Volgens de

Moeraswalstro (Galium palustre)

Moeraswalstro komt van nature voor in Midden-Europa tot in Centraal-Azië en in Noordwest-Afrika en oostelijk Noord-Amerika. Haar standplaats is op bijna alle grondsoorten en ze kan in zowel zoet als brak water voorkomen. Het énige wat belangrijk is, is dat

Moeraswespenorchis (Epipactis palustris)

De soortnaam palustris betekent ‘moeras’. Je ziet deze orchissen ze vaak in groepjes. Het is een pionierplant en hij is zeldzaam. Deze orchis groeit op open, vochtige tot natte voedselarme en kalkhoudende plekken: duinvallen, natte kalkrijke graslanden. De bestuiving vindt

Moeraswolfsmelk (Euphorbia palustris)

Groeit graag op legakkers (zie aldaar) waar het strooisel wordt afgevoerd. Ook op rietlanden, lichte wilgenbosjes op rivierklei en laagveen. Het is een van de eerste opvallend bloeiende planten in het rietland. De Aardvlo (Aphthona violacea) is op deze plant

Moerbei (Zwarte en Witte)

Deze grote struiken/middelgrote bomen worden al zeer lang gekweekt. Ze zijn nog te vinden op landgoederen en in kloostertuinen. Ze kunnen zeer oud worden (400-500 jaar). Ze hebben kenmerkende bladeren: hartvormig en vaak met een of meerdere inhammen. De vruchten

Mol (Talpa europaea)

De pels van een mol is waterafstotend, de vacht blijft onder de grond glad en schoon. Een mol is niet blind, maar zijn ogen zijn niet groter dan speldenknoppen. Hij heeft geen oren maar gebruikt zijn gevoelige snorharen en tastzenuwen

Mollusca: zie Weekdieren

Monnikskap: zie Blauwe Monnikskap

Mosselen (Mytilus edulis)

In zee leven tweekleppig weekdier. Buitenkant van de schelp is paarsblauw. Schelpen van jonge dieren zijn geelachtig en licht doorzichtig. De binnenzijde is vaak bekleed met parelmoer. De voetklier scheidt een uit eiwitten bestaande kleverige substantie af. Buiten de schelp

Mossen (Bryophyta)

De mossen kennen vijf klassen, te weten Veenmossen, Bladmossen, Hauwmossen en twee klassen van Levermossen. Korstmossen behoren niet tot de Mossen maar tot de Schimmels. De studie die zich richt op mossen heet Bryologie. Mossen hebben geen worteltjes, maar rhizoïden.

Motten: zie nachtvlinders

Mug: zie Steekmug

Muskuskaasjeskruid of Muskusmalve (Malva moschata)

Muskus is de vertaling van het Latijnse woord moschata/moschatus, dat ‘van een muskus’ betekent. Malva is van het Hebreeuws ‘malluah’ = saladeachtige groente. Het gedeelte ‘kaas’ in de naam is vanwege de vruchtjes, die als partjes kaas bij elkaar zitten.

Muskusrat (Ondatra zibethicus)

Bijna in heel Nederland worden deze dieren bestreden. Dit om schade aan dijken en oevers te voorkomen. Ze graven in walkanten en kaden. De muskusrat is een zoogdier dat graag waterplanten eet (vooral Lisdodde). Ze maken zelf gegraven holen (burchten) in

Muurleeuwenbek(je) (Cymbalaria muralis)

De wetenschappelijke naam Cymbalaria is van het Latijnse cymbalum = bekken (muziekinstrument): de bladeren hebben de vorm van een bekken. In Friesland Muorreliuwebekje genoemd. Ingevoerd uit Zuid-Europa en verwilderd. Vrij algemeen op oude muren, aan zee- en rivierdijken, in keldergaten

Muurpeper (Sedum acre)

Vetplanten zijn planten met vlezige bladeren die weinig water verdampen: ze hebben een dikke cuticula (buitenlaag), met daarop nog een waslaagje. Vaak zijn deze rood aangelopen en dat is een teken van weinig voedsel. Hierdoor kunnen ze leven op droge

Muurvaren (Asplenium ruta-muraria)

De wetenschappelijke naam Asplenium is afgeleid van het Griekse asplénon dat ‘miltkruid’ betekent. De plant werd gebruikt bij miltziekten. De deelnaam ruta-muraria betekent ‘ruit op muren groeiend’; ruit is vanwege de vorm van de deelblaadjes. Deze wintergroene varen wordt vaak

Naaktslakken

Naaktslakken zijn net als huisjesslakken, Weekdieren. Ze ademen via longen: achter de kop met vier uitsteeksels zit een opening, hierdoor haalt hij adem. Ze worden Buikpotigen genoemd, omdat de spieren aan de onderzijde (de buik), voor de voortbeweging zorgen. Naaktslakken

Nachtegaal (Luscinia megarhynchos)

De wetenschappelijke naam wil zeggen: grote snavel. Filomeel: dit is de dichterlijke vorm van de naam, betekent zoiets als ‘zangliefhebber’. De naam was ontleend aan de Atheense koningsdochter Philomela, die door haar zwager (koning van Thracië) werd onteerd. Na zijn

Nachtvlinders of Motten (Heterocera)

De voelsprieten van Nachtvlinders hebben, afhankelijk van soort en geslacht, draad- of veervormige voelsprieten. Ze hebben vaak een dikke borstelhaar aan de voorrand van de achtervleugel. Deze wordt door een haakje aan de onderzijde van de voorvleugel vastgehouden, om de

Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus)

De wetenschappelijke naam betekent: Europese geitenmelker. Dit omdat men vroeger dacht dat de vogel ’s nachts bij geiten melk ging drinken. Maar ook de bijnamen Melkzuiger en Schapenmelker zijn bekend. Zo hebben ze een grote bek die wijd opengesperd kan worden.

Nagelkruid (Gewoon of Geel) (Geum urbanum)

De geslachtsnaam Geum komt van het Griekse geuein = proeven, urbanus  = stad en dat betekent dat de plant in de buurt van dorpen en steden groeit. Een algemene plant, maar  in de Polders en de Kempen zeldzaam. Door de

Negenderhande kruiden

Vroeger leefde men dichter bij de natuur. Men wist planten te vinden met geneeskracht, met mysterieuze achtergronden, en men kende ze goddelijke krachten toe. Ze werden vooral gebruikt om ziekten te weren, waartoe ze op een bepaalde manier op het

Negertje (Omocestus rufipes)

Dit is een bijzondere naam voor een sprinkhanensoort. Hij is donker, vaak bijna zwart met rode achterpoten. De soortnaam rufipes komt van pes = poot en rufus = roodbruin, roodharig. Het is een echte heidesoort. Het geluid dat hij maakt

Neushoornkever (Oryctes nasicornis)

Dit is het sterkste dier ter wereld: hij kan mestballen tillen die maar liefst 850 keer zijn eigen lichaamsgewicht wegen! Ter vergelijking: een mens zou ongeveer 80.000 kilo moeten tillen om deze prestatie te evenaren. De larven heten engerlingen. Ze

Nijlgans of Vosgans (Alopochen aegyptiacus)

De wetenschappelijke naam betekent: Egyptische vosgans. Door vogelaars wordt ie wel eens Tante Nellie genoemd. Deze gans werd al in de oudheid door Egyptenaren als huisdier gehouden. De oude Egyptenaren beschouwden de Nijlgans als een Heilig dier en beeldden ze regelmatig

Noordkromp (Arctica islandica)

Deze dikke, glanzende donkerbruine schelpen behoren tot de familie Stippelschelpen. In Nederland zijn ze nu en dan op de Waddeneilanden te ontdekken. Het meest ten noorden van Texel tot aan de Doggersbank. na een flinke storm kun je ze ook

Noordse Pijlstormvogel (Puffinus puffinus)

Deze vogels hebben een neusbuis en blazen daardoor het overtollig zoutig vocht weg, van het binnen gekregen zeewater. De naam Puffin(g) was aanvankelijk een ‘vetzak’ en had betrekking op de vette nestjongen, die door de mens werden weggepakt voor consumptie.

Noordse Stern (Sterna paradisaea)

Men zegt wel dat deze vogel het grootste deel van zijn leven in het daglicht doorbrengt, want hij trekt van de arctische naar de antarctische zomer, zodat hij zelden de zon ziet ondergaan. Hij is de kampioen onder de trekkers:

Noordse Woelmuis (Microtus oeconomus)

Dit is de grootste en tevens oudste Woelmuissoort in Nederland. Er zijn fossiele resten gevonden uit de laatste IJstijd, meer dan 10.000 jaar geleden. Dit dier komt nog maar op een beperkt aantal locaties in Nederland voor, onder andere op

Noordzee Garnaal (of Grijze- of Hollandse-) (Crangon crangon)

Dit is de bekendste garnaal in de Lage Landen. Zij leven vooral ‘s zomers dicht onder de kust. In de winter trekken ze naar dieper water. Garnalen kunnen tijdens hun leven van sekse veranderen (Hermafrodie): over wanneer en hoe hermafrodiet

Noordzeekrab (Cancer pagurus)

Deze oranje-bruine, trage krabben zijn een kreeftachtige uit de orde van Tienpotigen. Ze leven aan rotsige kusten tot een diepte van 100 meter. Ze komen voor in de Noordzee, de Noord-Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee. In de Noordzee

Noorse Zandspiering (Ammodytes marinus)

Deze vis leeft in grote scholen in de Noordzee. Ze leven van plakton. Hij kan maximaal 10 jaar oud worden. De mond zit aan de bovenkant van de kop. Bij gevaar graven zandspieringen zich snel in en ze kunnen dat

Norger Bosmuur (Stellaria nemorum subsp. montanum)

Dit is een ondersoort van de plant de Bosmuur. De Norger bosmuur komt in Nederland alléén voor in het Norgerholt (Drenthe). Volgens de site van Alterra werd het plantje hier echter al in 1924 ontdekt, hij komt verder in de

Notensoorten die in trek zijn bij dieren

Beukennoten: voor boomklevers, eekhoorns, muizen, vogels (groenling, keep, vink). Eikels: voor eekhoorns, muizen, vogels (koolmees, pimpelmees, Vlaamse gaai). Hazelnoten: de onrijpe hazelnoten worden gegeten door eekhoorns en koolmezen. De rijpe hazelnoten worden gegeten door eekhoorns, bosmuizen en relmuizen, vogels (boomklevers,

Oehoe (Bubo bubo)

Deze uilensoort komt voor in Zuid-Limburg en in Twente. De laatste jaren wordt het dier ook in Noord-Brabant gesignaleerd. Vroeger werden gevangen oehoe’s ingezet bij de jacht op kraaien en roofvogels. De uil werd aan een paal vastgemaakt, maakte hierdoor een hoop

Oervogel (Archaeopteryx lithographica)

Deze vogel leefde tijdens de Juraperiode, die duurde ongeveer van 199,6 tot 145,5 miljoen jaar geleden. De oervogel had lange veren aan de vleugels. De tenen waren geschikt voor te klimmen en ze hadden klauwen. Chinese wetenschappers hebben een 121

Oeverzwaluw (Riparia riparia)

De oeverzwaluw is de kleinste zwaluw (12 cm) die in Nederland voorkomt. Omdat men vroeger van deze zwaluw ook dacht dat hij in de modderige rivieren overwinterde, kreeg hij de volksnamen Aardzwaluw (Limburg), Grondswaalf (Groningen) en Modderswe(a)l (Friesland). Zijn geluid is

Ogentroost (Gewone) (Beklierde- of Krijt-) (Euphrasia officinalis)

De wetenschappelijke naam komt uit het Grieks en betekent ‘opgewekt’. Zeer zeldzaam in Zuid-Limburg. Beklierde ogentroost is een halfparasiet, die woekert op grassen en cypergrassen. De wortels van de plant onttrekken water en zouten aan de wortels van andere planten,

Oliebolzwam: zie Koffievuurtjeszwam

Olifantresten

De Bosolifant was een grote olifant die werd gekenmerkt door nauwelijks gebogen en naar beneden gerichte slagtanden. In Nederland kwam hij gedurende de warmere perioden (interglacialen) in Midden- en Laat-Pleistoceen voor, maar tijdens de koudere perioden trok hij zich naar

Ooievaar (Ciconia ciconia)

Volgens een legende brengt een ooievaar die op een huis gaat broeden, voorspoed aan de bewoners ervan. Daarom werd in de middeleeuwen in Den Haag bij het Binnenhof, op enige wagenwielen, ooievaarsnesten gemaakt. De ooievaar was hier regelmatig te zien.

Oorworm (Gewone-) (Forficula auricularia)

Deze oorworm is een van de zes soorten in Nederland. Het is de énige soort die in alle tuinen voorkomt. Een oorworm heet niet zo, omdat ie in je oor zou kruipen, maar omdat hij/zij twee vleugels heeft die op oren lijken.

Oranjelelie: zie Roggelelie

Oranjetipje (Anthocharis cardamines)

De Latijnse naam van deze vlinder verwijst ook naar die van de Pinksterbloem (Cardamine): in de buurt van graslanden met veel pinksterbloemen (en look-zonder-look) heb je grote kans een oranjetipje tegen te komen. De flesvormige eitjes van het oranjetipje kun

Orchideeën (Orchidaceae)

De naam ‘orchidee’ is afgeleid van Orchis. Deze naam heeft vermoedelijk betrekking op de dubbele wortelknol: het Griekse ‘orchis’ betekent ook teelbal. De Griekse filosoof Theophrastus was in 300 v. Chr. de eerste die het geslacht beschreef. Opmerkelijk is dat

Otter (Lutra lutra)

De otter verdween in 1988 uit Nederland. In de periode 2002-2009 zijn in de laagveengebieden van Zuidoost-Friesland en Noordwest-Overijssel 31 otters uitgezet. De populatie is uitgegroeid tot circa zestig dieren in april 2010. April 2012 is een ottermannetje uitgezet in

Paapje (Saxicola rubetra)

Dit vogeltje zingt vreemd genoeg vaak ’s nachts, wanneer de meeste vogels slapen. Hij zit graag op een paaltje of op prikkeldraad. De wetenschappelijke, Latijnse naam van het paapje betekent ‘roodachtige bewoner van rotsen’. De belangrijkste broedgebieden zijn nu de

Paardenbijter (Aeshna mixta)

Dit is een echte libellensoort uit de familie Glazenmakers. Ze vangen prooien in de vlucht en hun duikvluchten werden vroeger beschouwd als aanvallen op paarden (naam). De paardenbijter is het kleinste familielid van de fraai gekleurde Glazenmakers. En die danken

Paardenbloem (Gewone-) (Taraxacum officinale)

Er zijn verschillende verklaringen voor de geslachtsnaam, mogelijk komt Taraxacum van het Griekse taraxa = ik heb veroorzaakt en achos = pijn: een verwijzing naar de medicinale werking van de plant. Een andere uitleg is dat Taraxacum zou staan voor

Paardenkastanje: zie Witte Paardenkastanje

Paardenwesp: zie Hoornaar

Pad (Gewone-) of Bruine Pad (Bufo bufo)

Leg je een pad op zijn rug dan gebruikt hij bij het overeind komen vooral de achterpoot en wel steeds dezelfde. Opgegeten insecten – die gifstoffen blijken te bevatten – raken ze weer kwijt door de complete maag naar buiten

Paddenstoelen (Fungi)

Zij zorgen voor de vertering van organisch materiaal. Alleen paddenstoelen zijn in staat de moeilijk afbreekbare organische stoffen zoals lignine (houtstof) en cellulose (celstof) te verteren. Dit is mogelijk doordat ze bepaalde enzymen afscheiden die deze stoffen afbreken. De vrijgekomen

Paddentrek

De trek is vooral waar te nemen op zwoele voorjaarsavonden. Vaak al in februari. De combinatie van temperatuur (minimaal 6° Celsius) en luchtvochtigheid (hoe natter hoe beter) zijn belangrijk voor het op gang komen van de paddentrek. De padden gaan in

Paddo’s of Magic maushrooms

Een aantal paddenstoelsoorten hebben een hallucinerende werking, zoals de Vliegenzwam. Deze werd vroeger gegeten in onder andere Lapland en delen van Siberië, met name door een geestelijk leider (sjamaan). De Noormannen kregen er een grote strijdlust van. De paddo’s die

Paling (Gewone-) of Europese Aal (Anguilla anguilla)

De paling werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1758 door Linnaeus als Angill angill. De paling wordt op grote schaal bevist voor menselijke consumptie en is een commercieel belangrijke soort. In Nederland is gerookte paling een gewilde delicatesse en

Palingbrood (Einhornia crustulenta)

Ook Levende Steen genoemd. De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1766 door Peter Simon Pallas, een Pruisisch zoöloog en botaniscus. Het is een simpel mosdiertje dat kolonies van korsten eof riffen vormt. Het

Panteramaniet (Amanita pantherina)

Deze paddenstoel komt in uiteenlopende bostypen voor. De Panteramaniet ruikt naar ramenas. De Nederlandse naam is vanwege de karakteristieke leverbruine kleur van de hoed en de daarop witte ‘wratten’. Deze wratten zijn de resten van het algemeen omhulsel. Hij is zeer

Papegaaiduiker (Fratercula arctica)

Betekenis van de wetenschappelijke naam: broedertje van het noordpoolgebied. De grote, kleurrijke snavel is in de zomer vooral rood met gele strepen. Deze eigenaardig gevormde snavel heeft hij nodig bij het graven van een nestholte. De bovendelen zijn glanzend zwart

Parapluutjesmos (Marchantia polymorpha)

De soortnaam polymorpha komt uit het Grieks en betekent ‘met vele vormen’. Deze zie je zelfs in bloempotten. De naam Parapluutjesmos is als volgt te verklaren: vanuit de groene lobben komen structuren te voorschijn die lijken op parapluutjes. Deze parapluutjes

Parasolzwam (Grote) (Macrolepiota procera)

Dit is de grootste van alle Europese plaatjeszwammen (hoogte 40 centimeter!). Hij kan in grote groepen voorkomen op nattig grasland. De jonge, nog gesloten paddenstoel lijkt op een paukenstok. De volwassen hoed is opvallend geschubd. Deze paddenstoel is zwak van

Parnassia (Parnassia palustris)

Dit is een vrij zeldzame plant op vochtige heidegrond, onbemeste hooilanden en in duinpannen. De bijzondere, geaderde bloemen geuren licht naar honing. De vijf ‘honingorganen’ in het bloemhart zijn vergroeide meeldraden die bestuivende insecten lokken. Aan een bloem kun je

Pater Davidshert (Elaphurus davidianus)

Het is de énige levende soort van het geslacht Elaphurus. Oorspronkelijk bewoonde hij grote delen van China. Toen hij ontdekt werd in 1865 door Pere Armand David (een Franse missionaris die daarnaast de reuzenpanda en de Mongoolse gerbil ontdekte) was

Patrijs

1. Vogel (Perdix perdix):  Ze kunnen hard rennen en lopen gebukt. Patrijzen houden ervan regelmatig een stofbad te nemen. Hun nest is te vinden in ruigten, bouw- en grasland, heide en ook in de duinen. Ze maken een goed verborgen kuiltje

Pauwen

Dit zijn middelgrote hoendervogels. De haan heeft een mooie, lange staart. Daar is hij ook trots op en als hij een vrouwtje ziet spreidt hij deze staart helemaal uit. ‘Zo trots als een pauw’ is een bekend spreekwoord. De lange

Pekzwarte waterkever: zie Grote Spinnende Watertor

Penningkruid (Lysimachia nummularia)

De Latijnse naam nummularia wijst op het muntvormig blad. De bladeren werden vroeger gebruikt bij de behandeling van wonden. De Nederlandse arts, botanicus Herman Boerhaave (1668-1738) beval het gebruik van zowel gedroogde bladeren als poeder aan voor behandeling van scheurbuik en

Perzikkruid (Persicaria maculosa)

Deze stikstofindicator heeft als bijnamen onder andere Roods, Reds en Smert. De Groningse naam voor het perzikkruid is Krödde. De legende zegt dat de plant onder het kruis groeide waaraan Jezus werd gekruisigd en dat er enkele druppels bloed op de

Pestvogel (Bombycilla garrulus)

De Latijnse naam betekent praatgrage zijdestaart. In Engeland draagt hij de naam ’Bohemian Waxwing’, welke naam duidt op de rode vlekken op de vleugels: die lijken op zegellak. De Nederlandse bijnaam Boheemse gaai was vanwege zijn zwerfgedrag: dat had wel

Phegeavlinder (Amata phegea)

Deze trage vlieger heeft als bijnaam Melkdröpke of Melkdrupje. Dit is vanwege de witte vlekjes op zijn vleugels. Het is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de Spinneruilen. De waardplanten van de vlinder zijn onder andere weegbree, zuring, walstro, en

Pijpenstrootje (Molinea caerulea)

Pijpenstrootje wordt ook wel ‘bunt, bent of bente’ genoemd. Het groeit vooral in vochtige, vergraste heide. Pijpenstrootje is één van de soorten die een rol speelt bij de vergrassing van heidevelden (overgangsgebieden: randen van beekdalen en van vennen). De plant

Pimpelmeesje (Parus caeruleus)

De kobaltblauwe kleur gaf hem de bijnamen Blauwmeesje (Groningen), Hemelmees (Kempen), Blauw Petje (Achterhoek) en Blauwköpke (Noord-Brabant). Geluid: de roep is vaak een schel siii-si-si. De zang start met één hoog geluidje gevolgd door een langere triller. Het geheel lijkt

Pimpernoot (Gevederde) (Staphylea pinnata)

Een forse struik tot kleine boom uit het Middellandse Zeegebied, die in België en Nederland ook wel wordt aangeplant en is verwilderd. En mogelijk op een paar plaatsen ingeburgerd in Zuid-Limburg. De naam Pimpernoot komt van het Duits Pimpernuss =

Pinksterbloem (Cardamine pratensis)

De geslachtsnaam Cardamine stamt af van het Griekse kardia = hart en damao = verzachten. De soortnaam pratensis betekent ‘in weiden groeiend’. De plant bloeit niet met Pinksteren maar in april/mei! Men noemt haar daarom ook wel Paasbloem. Hoe voedselarmer

Pissebed (Gewone-) of Ruwe- (Porcellio scaber)

Het is een zeer algemene soort landpissebed uit de klasse van de Malacostraca oftewel Hogere kreeften. Ademhalen doen ze met de kieuwen die op de achterpootjes zitten! Je komt ze altijd op vochtige plekjes tegen. Het zijn echte opruimers: ze

Pitrus (Juncus effuses)

De naam ’rus’ komt uit de Goddelijke Comedie van de Florentijnse dichter Dante Alighieri (14de eeuw). In zijn fictieve reis door het hiernamaals, omringd hij zich, voordat hij afdaalt aan de hand van Virgilius in het vagevuur,  met de rus,

Polei (Mentha pulegium)

Deze plant is zeldzaam in Nederland, behalve langs de Maas. Als genees- en ontsmettingsmiddel was polei vroeger befaamd. Het helpt tegen muggenbeten en verdrijft honden- en kattenvlooien. In het Fries de naam Fliebalsem. De bladeren ruiken naar pepermunt en schrikken

Populieren: zie Ratelpopulier

Porseleinzwam (Oudemansiella mucida)

Deze eetbare paddenstoel doet zijn naam eer aan: mooi, wit en glanzend: als porselein (maar kan ook licht- tot olijfgrijs van kleur zijn). Hij komt vrijwel uitsluitend voor op beuken, maar soms zie je hem ook op andere loofbomen. De

Purperreiger (Ardea purpurea)

Betekenis van de wetenschappelijke naam is: purperkleurige reiger. In Friesland Reade Reagel genoemd vanwege de enigszins roodbruine kleur van hals, borst en  sierveren. De purperreiger is iets kleiner dan de in Nederland algemeen voorkomende Blauwe reiger en is vooral te

Putter of Distelvink (Carduelis carduelis)

De wetenschappelijke naam wil zeggen: de op distels voorkomende vogel. De putter eet graag bessen, knoppen en zaden. Vaak zie je putters op distels zitten. De zaden van deze plant vormen een groot deel van zijn voedsel (naam). Samen met Sijsjes

Pyjamawants (Graphosoma lineatum)

Wantsen hebben als een van de voornaamste kenmerken dat ze stinken. Deze soort van de  Boomwantsen wordt ook Gevangeniswants genoemd. Dit vanwege de typische rood-zwart tekening van de dekschilden. Het was in Nederland een vrij zeldzame wants, maar hij komt

Quaggamossel (Dreissena rostriformis bugensis)

De mossel, die iets groter is dan de Gewone driehoeksmossel, komt oorspronkelijk uit westelijk Eurazië. Met het openstellen van het 171 kilometer lange Main-Donaukanaal in 1992 was de weg vrij voor de quaggamossel om zijn natuurlijke omgeving uit te breiden.

Raaf (Corvus corax)

Tot het einde van de 18de eeuw broedde de raaf nog in Nederland, maar door vervolgingen en bijgeloof is hij in 1928 helemaal uitgeroeid. Volgens zeggen zou hij ongeluk en de Pest verspreiden. Vanaf de jaren ’70 van de vorige

Raket (Gewone) (Sisymbrium officinale)

De wetenschappelijke naam Sisymbrium komt uit het Latijn en betekent ‘waterkers’. Dit omdat tijdens de periode dat Linaeus het plantenrijk indeelde, deze soort samen met de Witte waterkers (Sisynbrium) werd ondergebracht. Later is bij een herverdeling deze soort alleen overgebleven

Ransuil (Asio otus)

De ransuil is een zeer talrijke broedvogel in ons land. Ze broeden in oude kraaiennesten of op roofvogelnesten (dichte naaldbossen). De ransuil jaagt het liefste op woelmuizen, hij jaagt in de schemering en ‘s nachts. In de winter ontstaan er

Ratelaarplanten

In Nederland komen de Grote Ratelaar (Rhinanthus angustifolius), de Harige Ratelaar (Rhinanthus alectroluphus)en de Kleine Ratelaar (Rhinanthus minor) voor. De planten danken hun naam aan de zaden die na de bloeitijd bij beweging een rammelend geluid maken in de verdroogde

Ratelpopulier of Esp (Populus tremula)

De naam Ratelpopulier heeft te maken met ratelen: de blaadjes bewegen al bij het kleinste zuchtje wind. De lange steeltjes van de bladeren zijn niet rond maar plat en daardoor staat het blad vrijwel nooit stil. Volgens een legende uit

Ree (Capreolus capreolus)

De Latijnse naam komt wel overeen met de sierlijke sprongen, de capriolen die hij uithaalt. Zijn reuk, gehoor en het zicht zijn sterk ontwikkeld. Ze kunnen een mens ‘boven de wind’ ruiken (de wind waait de ree tegemoet) en dat

Regenworm (Lumbricidae)

Wereldwijd zijn er ongeveer 670 soorten regenwormen bekend. Ze eten rottend plantenmateriaal en bevorderen de humusvorming door bladeren de bodem in te trekken. Een humusrijke grond is belangrijk voor een goede plantengroei. Uitwerpselen van regenwormen bevatten soms 40% meer humus

Regenwulp (Numenius phaeopus)

De wetenschappelijke naam betekent ‘vogel met boogvormige snavel als van de nieuwe maan, met grijze poten’. Hij leeft alleen of in kleine groepjes, maar tijdens trek soms in enorme troepen. Ze kunnen dan erg hoog vliegen. Een gedeelte vliegt non-stop van

Reigersbek (Gewone) of Duinreigersbek (Erodium cicutarium)

De wetenschappelijke naam Erodium komt van het Griekse woord Erodios = reiger: het slaat op de vorm van de vruchtje dat op een reigersnavel lijkt. De deelnaam cicutarium kreeg de plant naar de vorm van de bladeren, die veel lijken

Rendiermos (Cladina)

De naam rendiermos is afgeleid van de vorm van de ‘plant’ die op een hertengewei lijkt. In bepaalde gebieden (bijvoorbeeld Lapland), is rendiermos het hoofdvoedsel van het rendier. Hoewel rendiermos op een plant lijkt bestaat deze uit een innige mutualistische

Reseda: zie Wilde Reseda

Reukgras (Gewoon) (Anthoxanthum odoratum)

In Friesland Rûkersgers genoemd. In Nederland een algemene grassoort. Waar je deze grassoort ziet duidt de plek op slechte bemesting en lage voedingswaarden. Het kauwen op de stengel geeft een caramel smaak. De bladeren hebben een bittere smaak. Het gras

Ridderzuring (Rumex obtusifolius)

De wetenschappelijke naam Rumes betekent in Latijns ‘lans, werpspies’: dit vanwege de pijlvormige bladeren. Obtusifolius  is van het Latijns afkomstig en betekent ‘stompbladig’. Dit omdat het de énige Zuringsoort is waarbij de bladeren stomp toelopen. De plant heeft een stevige,

Riet (Pragmites australis)

Het bestaan van grote oppervlakten Riet is van groot belang. Het is waterzuiverend, onttrekt voedingsstoffen als fosfaat en nitraat aan het water. Vissen zoeken er een paai- en schuilplaats. Daarnaast zijn er allerlei vogels zoals moeras- en watervogels, baardman, kleine

Rietorchis (Dactylorhiza majalis)

De wetenschappelijke naam Dactylorhiza komt van het Griekse daktylos = vinger en van rhiza = wortel. Dus een vingervormige wortel tegenover de twee gebruikelijke eivormige wortelknollen bij een Orchis. Majalis  is Latijns voor ‘in mei bloeiend’. De deelnaam orchis is

Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

De betekenis van de wetenschappelijke naam: spitskoppige beklimmer van biezen en russen. Zijn zang is haastig en krassend met tussendoor melodieuze fragmenten. Tijdens zijn zang toont ie de helderoranje binnenkant van de bek. Ook imiteert hij soms de zang van

Rimpelroos: zie Rozenbottel

Ringmus (Passer montanus)

Betekenis van de wetenschappelijke naam: Passer is onbekend en montanus betekent : in bergstreken voorkomend. De deelnaam mus komt van het Latijnse musca = mug of vlieg. Hij leeft in tegenstelling tot de huismus meestal in landbouwgebieden met houtwallen. De

Rivierprik (Lampetra fluviatilis)

Een vissoort, die zijn jeugd (larf) grotendeels blind doorbrengt, ergens verborgen in de bodem van beken en rivieren. Ze leven van algen en waterorganismen die ze uit het water filteren. Als hij volwassen is trekt hij naar ondiepe delen van

Robinia of Valse Acacia (Robinia pseudoacacia)

Deze Noord-Amerikaanse boomsoort is vernoemd naar vader en zoon Jean en Vespasien Robin, lijfartsen van koningin Maria de Medici en koning Hendrik IV van Frankrijk, die in 1601 een robinia plantte in de tuin van het Louvre in Parijs. Valse

Rode Bosbes of Vossenbes (Vaccinium vitis-idaea)

In Nederland is de soort onder andere te vinden op de Sallandse Heuvelrug en op de Veluwe. Liefst zonnige en droge standplaatsen op zure, schrale grond. De kleine blaadjes zijn leerachtig en kunnen bij vorst overleven. De bessen zijn mooi

Rode Bosmier (Formica ruta)

Ze hebben geen angel, hoewel de mieren met het achterlijf wel mierenzuur spuiten als ze verontrust worden. Het mierenzuur ruikt sterk naar azijn. Vooral in bossen kun je grote mierenhopen zien (soms wel 1 meter hoog), die van dennennaalden en

Rode Klaver (Trifolium pratense)

De rode klaver komt in het wild voor in heel Europa en in noordelijk en Centraal-Azië; zuidelijk vanaf het Middellandse Zeegebied tot aan de Noordpoolcirkel. De rode klaver heeft zich ook in Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland gevestigd. De stengel is

Rode Watermijt (Piona longipalpis)

Watermijten vind je in allerlei soorten en maten. Men onderscheidt meer dan 45.000 soorten mijten in 546 families. Een bijnaam is Watertomaatje. Het is de meest voorkomende watermijt in Nederland. Een heel klein beestje van maar ietsje groter dan 1

Rode Wouw (Milvus milvus)

Hij lijkt qua uiterlijk op de buizerd, maar de vogel is meer rossig/roodachtig (naam) en heeft een diep gevorkte staart. De soort is hieraan te onderscheiden van de nauw verwante Zwarte wouw, die een ondiep gevorkte staart heeft.  In Nederland is

Roeipootkreeftjes of Eenoogkreeftjes (Copepoden)

Er zijn wel 12.000 Roeipootkreeftjes soorten bekend. Ze komen wereldwijd voor in alle oceanen en zeeën. Het zijn de ‘watervlooien van de zee’. Ze zijn erg klein (1 – 3 millimeter) en voeden zich met plantaardig plankton. Ze hebben een

Roek (Corvus frugilegus)

Betekenis van zijn wetenschappelijke naam: veldvruchten verzamelende Raaf. Bij het voedsel zoeken propt hij vaak zijn keelzak vol. Deze vogel staat bekend om zijn intelligentie. Al in de Griekse oudheid beschreef een dichter zijn slimheid. Roeken gooiden steentjes in een

Roerdomp (Botauris stellaris)

De wetenschappelijke naam betekent ‘Ge-sterde vogel die bulkt als een stier’. Een bijnaam is dan ook Domphoorn. Zijn geluid is ook erg kenmerkend: als een misthoorn galmt hij over het water. Vroeger was deze vogel een begeerde jachtbuit. Tegen die

Roggelelie of Oranjelelie (Lilium bulbiferum)

De plant komt van nature voor in Midden- en Zuideuropese gebergten: op (rogge)akkers, akkerranden, struwelen, open plekken in bossen, bosranden, ruigten. Voortplanting gebeurt hier voornamelijk door broedbolletjes die onder de grond worden gevormd. Maart 2012 werd op initiatief van Staatsbosbeheer

Rombouten (Gomphidae)

De énige familie van de Echte libellensoorten, waarvan de ogen elkaar bovenop de kop niet raken: ze zijn gescheiden door een tussenruimte. Ze jagen op een andere manier dan veel andere libellen soorten: ze zoeken een geschikte rustplaats en loeren

Rondbladig Wintergroen (Pyrola rotundifolia)

Het blad heeft een aparte, ronde vorm en glanst. Je treft de plant ook ‘s winters aan en daardoor valt het blad juist op. Maar  hij komt nog maar op enkele plaatsen in Nederland van nature voor: in de duinen

Ronde Zonnedauw (Drosera rotundifolia)

Dit is de meest algemene soort van de Zonnedauwsoorten in Nederland. De wetenschappelijke naam Drosera is van het oude Griekse drosos = dauw. Dit verklaart de druppeltjes aan de tentakels. De tweede naam, rotundifolia, komt van het Latijnse rotundus =

Rood Bekertjesmos (Cladonia coccifera)

Dit is een hele kleine korstmos. Van de bekertjesmossen is deze soort degene die je het meeste ziet in Nederland. Het vuurrode vruchtlichaampje steekt fel af tegen het grijsgroen van de rest van het korstmos. Je kunt ze vinden in

Rood Guichelheil (Anagallis arvensis)

Vrij algemeen, maar zeldzaam in het zuiden van Friesland, het zuiden van Groningen, in Drenthe, Flevoland, het noordoosten van Overijssel en op de Veluwe. Oude volksnamen zijn Basterd-Muur, De Roode Verscheidenheid, Guichelheilmanneken, Lieveheersteentjes. In Friesland Readerf genoemd. De bloemen hebben

Roodborstje (Erithacus rubecula)

De wetenschappelijke naam Rubecula betekent ‘kleine rode’. De meeste vogels overwinteren in Nederland, tenminste de mannetjes, maar deze populatie wordt dan wel aangevuld met roodborsten uit broedgebieden verder naar het noorden en het oosten. De vrouwtjes en jongen vertrekken ‘s

Roofvliegen (Asilidae)

Dit is een familie van tweevleugeligen met circa 7100 beschreven soorten. In Nederland komen ongeveer 40 à 50 soorten roofvliegen voor. Ze zijn vaak te herkennen aan het lang gerekt, behaard lichaam, borstelharen achter en tussen de ogen (‘baard’) en

Roos in de Symboliek

De roos heeft vele symbolische betekenissen die de mens aan deze bloem heeft gegeven. De schoonheid van deze bloem is op vele wijzen beschreven. De bloem heeft als eerste met de liefde te maken. De roos komt uit Azië ongeveer

Rosse Grutto (Limosa lapponica)

Dit is een vogel uit de familie van Steltloperachtigen. De vogel heeft net als de grutto een zeer lange snavel. Het verschil met de grutto is dat deze snavel aan het eind een flauwe bocht omhoog maakt en donker is

Rozenblaadje (Miltochrista miniata)

Een dagactieve Nachtvlindersoort (Beervlinder) die in heel Europa voorkomt. De vlinders hebben rozerode vleugels en deze zijn getekend met mooie, zwart kronkellijntjes. De rups heeft een ongebruikelijk dieet: korstmossen (Groot leermos) op bomen! De vlinders rusten overdag op twijgen of

Rozenbottel of Rimpelroos of Bottelroos (Rosa rugosa)

De wetenschappelijke naam Rosa komt van het Griekse rhodon = roos. De deelnaam rugosa komt van het Latijnse ruga = rimpel. dit slaat op de vorm van de bladeren. Dit is een lage struik van Oost-Aziatische afkomst. Bij ons komt de

Rozenkransje (Antennaria dioica)

Een klein plantje uit de droge, kalkarme duinen en graslanden. Het is een indicator (= aanwijzer) voor een dorre, onvruchtbare grond. De vrouwtjes hebben mooie, roze bloemhoofdjes en deze zitten in groepjes van vier of vijf bij elkaar. De mannelijke

Ruggenzwemmer: zie Bootsmannetje

Rugstreeppad (Bufo calamita)

Deze pad zie je overal in Nederland, uitgezonderd noordelijk Friesland (vanwege de zeeklei), Groningen, Oost-Drenthe (vanwege afgegraven hoogveen). Hij komt graag voor op zandgronden van stuwwallen, stuifzandheuvel, rivierduinen en duinen langs de kust. Het zijn echte pioniers: op opgespoten land

Ruig Haarmos (Polytrichum piliferum)

De naam Polytrichum is afkomstig uit het Oudgriekse polus = veel en thrix = haar. Dit is in verband met het dicht behaarde sporogoon. De soortaanduiding piliferum komt uit het Oudgriekse pilus = haar en phero = dragen. Dit slaat op

Runbloem: zie Heksenboter

Ruwe Berk (Betula pendula)

De wetenschappelijke naam Betula heeft te maken met het Keltische woord betu = laan. In die tijd sloeg men met berkentakken op het lichaam na een warmwaterbad en wel om de bloedsomloop te stimuleren.  Het woord Berk is afgeleid van

Ruwe Iep (Ulmus glabra)

Deze boom zie je vaak op begraafplaatsen en in stadsparken. In het verre verleden werden uit deze houtsoort ook waterleidingen vervaardigd – als het hout nat blijft, gaat het ongekend lang mee – en er zijn zelfs houten waterleidingen uit

Ruwe Smele (Deschampsia cespitos)

De vlakke bladen van deze plant van de Grassenfamilie zijn aan de bovenkant zó ruw, dat men zich er gemakkelijk aan kan snijden. Ruwe smele groeit in grote pollen. In Friesland wordt ie Bjindergers genoemd. In Engeland bekend onder de naam

Sabelsprinkhaan: zie Grote Groene Sabelsprinkhaan

Salomonszegel (Gewone- of Veelbloemige-) (Polygonatum multiflo)

Een bijnaam voor de plant is Mot (zeug) met biggen. Dit komt door de vele bloempjes die in één rij hangen (zoals de tepels van een zeug op één rij zitten). De plant groeit vaak in groepen. De bloemen hangen naar

Satansboleet (Boletus satanas)

Het Griekse woord Boolos betekent ‘aardkluit’ en dat slaat op de vorm van de satansboleet. Deze giftige paddenstoel is vooral te vinden onder beuken en eiken. Hij heeft opvallende, prachtig bloedrode poriën, die naar de rand toe in geel overgaan.

Schaafstro of Schuurriet (Equisetum hyemale)

De plant dankt haar naam aan het vroegere gebruik van de stengel als schuurmiddel voor pannen  (Schuurbies of Schuurriet genoemd). Boeren gebruikten het om pijpen schoon te maken, meubelmakers en vioolbouwers gebruikten het ook. Het wordt nu nog soms gebruikt om

Schaalhoren (Gewone-) of Napslak (Patella vulgata)

De naam van deze slakkensoort is vanwege zijn vorm: omgekeerd lijkt de schelp op een puntige schaal, napje of mutsje. Andere namen zijn Patella en Puntmossel. Hij leeft in zee en je kunt ‘m alleen in Zeeland vinden, maar sinds

Schaatsenrijder (Gewone) (Gerris lacustris)

In Nederland komen nog zeven andere soorten schaatsenrijders voor die echter minder algemeen zijn en er meestal sterk op lijken. Dit insect kan over water ‘lopen’. Hij zakt namelijk niet met zijn pootjes in het water door de oppervlaktespanning die

Schaduwgras of Bosbeemdgras (Poa nemoralis)

Deze grassoort komt veel in bossen voor: halfbeschaduwde plaatsen in struweel en loofbos. Het kan ook massaal voorkomen op kapvlakten in bossen. Het is een onopvallend en mooi grasje, waarbij het opwaarts gerichte blad een bepaalde hoek met de stengel

Schapenzuring (Rumex acetosella)

Oude volksnamen zijn Sulker, Surpel, Zoerbladeren, Zurkel en Zuurmoes. De soortnaam acetosella is afgeleid van het Latijnse acetum = azijn: het is een zuur smakende plant. De vruchtpluimen zijn vaak lichtrood aangelopen, soms prachtig dieprood. Op de plant kun je de

Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus)

Dit is een belangrijke voedselplant voor watervogels. De bladeren en zaden worden gegeten door kleine zwaan, knobbelzwaan, meerkoet en wilde eend. De wortelknolletjes in de waterbodem vormen een belangrijke voedselbron voor de kleine zwaan (bijvoorbeeld op het Lauwersmeer en de

Scheerling: zie Gevlekte Scheerling

Schermhavikskruid (Hieracium umbellatum)

De wetenschappelijke naam Hieracium komt van het Griekse hierakos = havik: de haviken zouden hun scherp gezicht verkrijgen door het eten van dit kruid. De soortnaam umbellatum komt van het Latijnse umbella = scherm: bloemen in schermen. In Friesland bekend

Scherpe Boterbloem (Ranunculus acris)

De wetenschappelijke naam Ranunculus wil zeggen: plaats waar veel kikkers zijn. Boeren zijn niet blij met een weide waarin deze plant voorkomt: het vee eet er niet van en zo kan hij zich ongehinderd verspreiden. Hij komt dan ook vaak

Schietwilg (Salix alba)

De wetenschappelijke naam Salix is de oude Latijnse naam voor wilg. De soortnaam alba betekent wit. Takken en twijgen zijn erg buigzaam. De doosvruchten hebben een wit kapokachtig pluis: verspreiding door de wind. Oude bijnamen zijn Bindhoutboom, Fluitjeshout, Hoepwilg, Klakwilg,

Schijfkamille (Matricaria discoidea)

De wetenschappelijke naam Matricaria komt van het Latijnse matrix = baarmoeder (de plant werd vroeger gebruikt tegen ‘vrouwenziekten’). Vroeger Straalloos Moederkruid genoemd. De soortnaam disoidea is afgeleid van het Latijnse discus = werpschijf, wat betrekking heeft op de vorm van

Schimmels

Het onderzoek naar schimmels heet Mycologie. Omdat schimmels ook ziekteverwekkers kunnen zijn, is de mycologie ook onderdeel van de medische microbiologie. Bij het determineren van zwammen is doorgaans een microscoop nodig, waarmee de plaatjes en sporen van de paddenstoel in

Scholekster (Haematopus ostralegus)

Betekenis van de wetenschappelijke naam: bloedroodpotige oesterverzamelaar. Het naamsdeel schol betekent ‘afgespleten schelp’ (de Scholekster splijt een schelpdier open, om zo zijn kostje te kunnen bemachtigen). Mosselen worden meestal opengehakt. Dit doen meestal de mannetjes (hameraars). Een andere methode schelpen

Schorpioenvlieg (Gewone) (Panorpa communis)

De gewone schorpioenvlieg komt algemeen voor in heel Nederland. Het is een geel insect met zwarte brede rechthoekige vlekken op de rug. Aan de kop zit een hele lange rode bek waarmee het kleine insecten kan opeten. De mannetjes hebben

Schorviltbij (Epeolus tarsalis)

Deze heeft dezelfde streken als de Koekoek: ze legt haar eitjes bij die van de Schorszijdebij, welke haar eitjes legt – samen met een voorraadje voedzame brei – in een zelf gegraven holletje. De larven van de schorviltbij doden de

Schorzijdebij (Collectes halophilus)

Deze bijen leven op de schorren: vooral waar het schorgebied overgaat in laag glooiend duinlandschap. Schorren zijn stukken land die direct, zonder duinenrij of dijken, aan ondiepe getijdengebieden zoals de Waddenzee grenzen. Deze bijen behoren tot de zogenoemde ‘scheenverzamelaars’ dat

Schotse Hooglander (Bros primigenius)

Dit roodbruin runderras wordt ook wel Highland Cow genoemd. Ook de kleuren geel, donkerbruin en zwart zijn mogelijk. Ze stammen vermoedelijk af van de Keltische runderen die 2000 v. Chr. op de Britse eilanden aanwezig waren. Ze hebben grote hoorns.

Schotse Laaglander of Galloway

Dit is een hoornloos, kort potig en zwart behaard runderras. Het ras is ook geschikt jaarrond (het hele jaar) in natuurgebieden te grazen. Galloways worden ingezet om weilanden te begrazen en te bemesten. De mest trekt weidevogels aan zoals de

Schrijvertje of Gewoon Draaikevertje (Gyrinus natans)

De naam Schrijvertje of Schrijverke is omdat hij draaiende bewegingen op het water maakt. De Vlaamse dichter Guido Gezelle (1830-1899) heeft er een mooi gedichtje aan gewijd, dat begint met “O krinklende winklende waterding, met ‘t zwarte kabotseken (mutsje) aan….”

Schuimcicade of Schuimbeestje (Philaenus spumarius)

Het is in Nederland en België tevens de meest algemene en bekendste cicade. De larven leven in een schuimnest, dat koekoeksspuug wordt genoemd. Ze komen voor op verschillende planten, met name in een tuin, en daar kiezen ze voor Lavendel. Ook

Segrijnslak (Cornu aspersum)

De soortnaam werd in 1774 ingevoerd door Otto Frederik Müller (1730-1784) als Helix aspersum Later is de soort in het geslacht Cornu geplaatst. De naam aspersum heeft betrekking op het kleurpatroon van de schelp: aspersio (Latijn) = besprenkelen, spatten. Hij

Sierwieren (Desmidiaceae)

De naam Desmidiaceae stamt af van het Griekse woord desmos  = verbinding, ketting. In Nederland komen ruim 500 soorten voor en de gemiddelde maat is 0,1 millimeter. De grootste soorten kunnen zelfs wel 1 millimeter worden! Onder een microscoop kun

Sijs(je) (Carduelis spinus)

De wetenschappelijke naam betekent: de op distels voorkomende sijs. In het plat Amsterdams spreekt men van: ‘gewone’ vogels en ‘drijfsijsjes’ (spreek uit: drèèfsèèsjes). Volgens katholiek geloof verwijzen sijsjes naar het lijden van Christus en wel naar de doornenkroon (sijsjes eet

Sikkel Sprinkhaan (Phaneroptera falcata)

Deze sprinkhanen zijn goed te herkennen aan de ver voorbij het achterlijf stekende, gifgroene vleugels. Als hij vliegt lijkt ie op een vlinder. Een ander opvallend detail is het rode oog! De kleur van zijn lijf is groen met over het

Sint Jacobsvlinder (Tyria jacobaeae)

Dit is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de Spinneruilen. De vlinder is vernoemd naar de heilige Jacobus de Meerderde, een van de beschermheilige van Spanje. Zijn gebeente zou overgebracht zijn naar de Spaanse bedevaartplaats Santiago de Compostela. De

Sint Janskruid (Hypericum perforatum)

De geslachtsnaam Hypericum betekent hertshooi en is afgeleid van de twee Griekse woorden hypo = onder en ereiko = heide. De soortnaam perforatum betekent geperforeerd, dit slaat op het feit dat als men de blaadjes tegen het licht houdt, het net

Sint Jansvlinder (Zygaena filipendulae)

De Nederlandse naam heeft te maken met de eerste verschijningsdatum rond de naamdag van de heilige Sint Jan (24 juni). De mannetjes zoemen met snelle vleugelslagen rond. Ze gaan op zoek naar vrouwtjes die nog niet gepaard hebben of gaan

Slaapbol of Bolpapaver (Papaver somniferum)

Wordt in sommige delen van Nederland ook Maankop en Maanzaad genoemd. De plant wordt gekweekt vanwege het lichtblauwe (maan)zaad maar is vaak verwilderd. Hij is het meest te vinden in de kustgebieden. De plant bevat allerlei alkaloïden, de meeste daarvan

Slanke Rolsprietslak (Hermaea bifida)

Dit zijn zeer bijzondere zeenaaktslakjes, die een vreemd geurend stofje afgeven (de geur is als van geraniums en zwavelzuur). Het stofje is zo vluchtig en penetrant, dat je de aanwezigheid van de zeenaakstlak – die onder water is – bóven

Slanke sleutelbloem (Primula elatior)

De wetenschappelijke naam Primula komt van het Latijnse primus = eerste en de soortnaam elatior is de vergrotende trap van het Latijnse elatus = hoger dan de andere. De Nederlandse naam Sleutelbloem is gekozen, omdat deze plant op een bos

Slechtvalk (Falco peregrinus)

De wetenschappelijke naam betekent ‘valk uit het buitenland’ en slecht wil zeggen ‘algemeen, gewoon’. In valkenierstaal werd hij ‘Pelerin’ genoemd. Unesco heeft onlangs (augustus 2012) de traditionele jacht met roofvogels erkend als wereldwijd cultureel erfgoed. In het middeleeuwse Europa werd

Sleedoorn of Sleepruim (Prunus spinosa)

Slee is een oud woord voor ‘pruim’. In Groningen vroeger Slijen genoemd. In Friesland bekend onder de naam Krikelbeam. In Drenthe heten de vruchten Bekketrekkers of Trekkebekken (vanwege de zure smaak). Na de Tweede Wereldoorlog richtte onderwijzer Peter van der

Sleutelbloem (Gewone, Gulden of Echte) (Primula veris)

De wetenschappelijke Primula is afgeleid van het woord primus (eerste), en dat betekent dat de plant als een van de eerste bloeiers in het voorjaar werd gezien. Volksnamen zijn Peterssleutel, St. Pieterskruid, Kerkesleutel en Teunisje. In Friesland Peaskeblom genoemd. In Engeland

Slofhak (Anthoxanthum aristatum)

Dit reukgras komt van nature voor in Eurazië, sinds 1837 in Nederland gevonden op roggevelden bij Almelo. Plaatselijk vrij algemeen in Gelderland en Overijssel, verder vrij zeldzaam. Deze akkerkruid behoort tot de Grassenfamilie. De slofhak heeft een scherpe, niet fijne

Smalle Weegbree (Plantago lanceolata)

De wetenschappelijke naam Plantago komt van het Latijnse planta pedis = voetzool: de weegbreesoorten verdragen betreding. De soortnaam lanceolata = kleine lans: dit slaat op het blad, dat lancetvormig is. De steeltjes en blaadjes van deze plant zijn zeer vezelrijk

Smeerwortel (Gewone-) (Symphytum officinale)

De wetenschappelijke naam Symphytum is van het Latijnse sympho en wil zeggen ’verenigen’ en officinale staat voor ‘geneeskrachtig’. Hij werd vroeger gezien als een plant tegen uiteenlopende kwetsuren, zoals botbreuken. Modern onderzoek heeft aangetoond dat deze plant allantoïne bevat, een stof die

Smelleken (Falco columbarius)

Betekenis van de wetenschappelijke naam: duifachtige valk. De Nederlandse naam is afgeleid van de oude Franse en Duitse namen Esmeril resp. Smerle. Nederlandse volksnamen zijn onder andere Smelfalk (Friesland), Smirrel (Limburg), Smeerling en Smerlijn. Deze vogel werd door de natuurkenner

Smient (Anas penelope)

Volksnamen voor de smient zijn onder andere Fluiteend (het mannetje maakt een scherp, luid gefluit) en Spekeend. Tot voor kort was de smient nog jachtwild. Met de invoering van de nieuwe Flora- en Faunawet is daaraan een eind gekomen. Nu krijgen

Sneeuwbal: zie Gelderse Roos

Sneeuwbes (Symphoricarpos albus)

De wetenschappelijke naam Symphoricarpos is een combinatiewoord van het Griekse symphorein: syn = samen en phorein = dragend en carpos is van het Griekse karpon = fruit of vrucht. Het slaat allemaal op het groepsgewijs voorkomen van de besjes. De

Sneeuwklokje (Gewoon-) (Galanthus nivalis)

De wetenschappelijke naam Galanthus komt van gala = melk, anthos = bloem en navalis = sneeuw. Dit is een bolgewas uit de Narcisfamilie. Het oorspronkelijk verspreidingsgebied is vermoedelijk Midden-  en Zuid-Europa. De plant komt, doordat hij snel en gemakkelijk kan verwilderen,

Sneeuwuil (Bubo scandiacus)

Deze uil leeft op de toendra, maar in strenge winters – als er weinig lemmingen zijn – zie je hem (als dwaalgast) af en toe in Nederland. Zijn prooien zijn knaagdieren, zoals muizen, maar ook hazen, lemmingen en vogels (zoals

Snoek (Esox lucius)

Het is één van de bekendste roofvissen die in Nederland voorkomt: in vrijwel alle binnenwateren. De Romeinse dichter Ausonius  (310-393) was de eerste schrijver die deze grote zoetwatervis in een boekwerk vermeldde. Door Carolus Linnaeus (Zweeds arts en plantkundige) wordt

Snor (Locustella luscinioides)

Deze vogel is in de 19de eeuw voor het eerst waargenomen in de omgeving van Rotterdam, in het riet van de Kralingse Plassen. Zomervogel en vrij schaarse broedvogel hier in Nederland. Snorren zijn trekvogels en brengen de winter door ten

Snotolven of Lompvissen (Cyclopterus lumpus)

Naam: vanwege hun voedsel: de gelatineuze ribkwalletjes. Er vind een jaarlijkse paartrek plaats van de open zee naar de ondiepere kustgebieden, onder andere Zeeuwse Delta, en dat gebeurt al vanaf midden december. De eerste waarnemingen zijn gewoonlijk van uitsluitend mannetjes,

Soepganzen

Dit zijn tamme verwilderde dieren. De Soepgans wordt ook Boerengans Bonte Gans, Bastaardgans, Huisgans en Kruisgans genoemd. Het zijn verwilderde boerderijganzen, vaak van oorsprong grauwe ganzen. Ze zijn meestal wit of bruin of gemengd gekleurd.  

Soldaatje (Rhagonycha fulva)

Ook Kleine rode weekschildkever of Rode weekschild genoemd. Het is een van de meest algemene soorten van de Echte weekschildkevers. De echte weekschildkevers hebben, zoals de naam al zegt, zachte schilden. Er zijn in de Benelux zeker zo’n vijftig soorten,

Spaanse Ruiter (Cirsium dissectum)

De wetenschappelijke naam Cirsium is afgeleid van het Griekse Kirsion en betekent ´distelsoort´. Hij werd gebruikt tegen spataderen (Kirsos). De deelnaam dissectum komt uit het Latijn en betekent ‘stuk/doorsnijden’. Dit duidt op de ingesneden bladschijf. Deze plant staat er om

Spanners

Dit is een vlindersoort en de naam is ontleend aan de merkwaardige manier van voortbewegen van de rupsen. Zij hebben alléén pootjes aan de voor- en achterkant. In het middengedeelte niets. Als ze lopen zetten ze eerst de achterpoten naar

Speenkruid (Gewoon-) (Ranunculus ficaria)

De wetenschappelijke naam Ranunculus komt van het Latijnse rana = kikker. De soortaanduiding ficaria komt van het Latijnse ficus, dat vijg betekent: met vijgvormige knolletjes. In Friesland wordt de plant Bûtergieltsje genoemd (buter is vanwege de boterkleur). Oude volksnamen zijn Vijgwortel,

Speerdistel (Cirsium vulgare)

De wetenschappelijke naam Cirsium is afgeleid van het Griekse kirsion en betekent ‘distelsoort’, en werd gebruikt tegen spataderen (Kirsoa). Vulgare komt van het Latijnse vulgaris en betekent ‘alledaags’. Een dialectnaam uit Oost-Brabant is Dijssel. Deze naam is weer terug te

Sperwer (Accipiter nisus)

De wetenschappelijke naam betekent: snelle grijper Nisus. De soortnaam komt van Nisos, een figuur uit de Griekse mythologie. Hij kent verschillende streeknamen zoals Spelver (Limburg), Mussensteuter (Achterhoek), Klampert (Noord-Brabant), Leeurikdief (Friesland), Stekker (Zeeuws-Vlaanderen), Vinkensperwer (Zuid-Holland). Het vrouwtje, dat een stuk

Spindotter (Caltha palustris var. Araneosa)

In de Carnisse grienden, de Ridderkerkse grienden en de Biesbosch groeit de zeldzame Spindotter. De plant is uniek in de wereld. Hij lijkt op de Gewone dotterbloem. Zoals alle dotterbloemen is de plant giftig voor vee. De mens at vroeger

Spintepels en spinklieren

Hiermee kan een spin zijn draden spinnen. De spintepels kun je vinden in het achterlijf van de spin. Ze zijn hol. In het lichaam wordt een bepaalde stof aangemaakt die de spin door de tepeltjes naar buiten perst. Aan de lucht verandert de

Sporkehout of Vuilboom (Rhamnus frangula)

De wetenschappelijke naam Rhamnus komt van het Griekse rhamnos wat ‘tak’ betekent. Frangula wil zeggen ‘broos hout’. Al in de 2de eeuw werd door Galenus (Grieks/Romeinse arts) de werking van het sporkehout beschreven. De Nederlandse naam Vuilboom houdt verband met

Spotvogel (Hippolais icterina)

Vanwege het imiteren van andere vogels kreeg hij allerlei volksnamen, zoals Oelenspegel (naar Tijl Uilenspiegel) (Achterhoek), Papaguutje (oostelijk Noord-Brabant), Spiteku (Zuid-Holland) en Allerleisängerke (Limburg). De Brabantse bijnaam Kakeluutje of Kuleku is waarschijnlijk een ander woord voor ‘kuilder’  (= maker van een

Spreeuw (Sturnus vulgaris)

Het Friese Protter en Prutter (voor de volwassen vogel) en Protsek (voor de jonge vogel) duiden op het wat kwetterend geluid. Omdat een pas geboren spreeuwenjong nagenoeg helemaal kaal is en het een week duurt voordat hij goed in de

Sprokkelmaand: zie Februari

   

Staartmees(je) (Argithalos caudatus)

Hij heeft een opvallend lange staart en heet daarom in de omgeving van Haarlem Pijlstaartje en in Friesland Langstirtje of Langsturtdidyt. In Groningen wordt ie met een muisje vergeleken, omdat ie zo klein en snel is en men noemt hem

Steekmug (Culex pipiens)

Ook Huissteekmug genoemd. Wereldwijd bestaan er 3526 soorten, waarvan er 36 in Nederland voorkomen. Alleen het vrouwtje heeft een lange steeksnuit (geen angel) en zij is dus ook degene die steekt (en je ’s nachts uit de slaap houdt). Denk

Steeliep: zie Fladderiep

Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes)

Deze altijdgroene varens zijn zeldzaam in Nederland en komen bijna alleen in Limburg voor. Ze zijn wettelijk beschermd. Op een kalkrijke ondergrond en bijvoorbeeld op het noorden gerichte vochtige muren, zal de steenbreekvaren zich zeker thuis voelen. Oude 19de eeuwse

Steenmarter (Martes foina)

De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen zoals steengroeven, gebouwen maar ook op boerenerven met kleinschalige landbouw. Hij is schuw en leeft verborgen.  Zijn belangrijkste vijand is de mens. De keelvlek is veelal wit, maar kan ook

Steenuil (Athene noctua)

De wetenschappelijke naam wil zeggen: Athene nachtvogel. De vogel is vernoemd naar Pallas Athene, dat is de godin van de wijsheid en beschermgodin van de Griekse hoofdstad. De steenuil stond al op oude Griekse munten (de drachme) en staat nu

Stekeltrilzwam (Pseudohydnum gelatinosum)

Deze paddenstoelen hebben een gelatineachtige structuur en zien er een beetje uit als stevige gelatinepuddingen, zo voelen ze trouwens ook. Als ze uitgedroogd zijn kunnen ze – na een regenbuitje – door vochtopname er weer als nieuw uitzien. Ze danken

Stengelloze sleutelbloem (Primula vulgaris)

Een zeer zeldzame soort sleutelbloemen, die groeit op grazige plaatsen, bijvoorbeeld in de duinen, westelijk Brabant en in Drenthe. De plant bloeit al vóórdat de bladeren aan de bomen komen. In Zeeland worden ze vanouds Bakkruudjes genoemd. Ze zijn zo genoemd

Stijf Havikskruid (Hieracium laevigatum)

De wetenschappelijke naam Hieracium komt van het Griekse hierakos = havik: de haviken zouden hun scherp gezicht verkrijgen door het eten van dit kruid. De soortnaam laevigatum komt van het Latijnse levare = glad maken, polijsten. De plant is meestal

Stijve Ogentroost (Euphrasia stricta)

De wetenschappelijke naam is afgeleid van het Griekse woord voor vreugde: Euphrasyne. De Grieken werden er schijnbaar vrolijk van. Een Grieks fabeltje verteld over een vogeltje, een kneu, die de plant gebruikte om het gezichtsvermogen van haar kleintjes te verbeteren. Het

Stinkende Gouwe (Chelidonium majus)

Deze plant heeft een lange bloeitijd: deze zou samen vallen met de komst van zwaluwen in Europa (Chelidonium is afgeleid van het Griekse woord voor zwaluw). De soortnaam majus betekent groot. De Nederlandse naam Gouwe staat voor goud (vanwege de

Stinkzwam: zie Grote Stinkzwam

Stippelmot of Spinselmot (Hyponomeuta padellus)

Dit zijn kleine vlindertjes. De larven vreten aan zaden en bladeren (ze kunnen de struik kaalvreten) en kunnen met hun spinsels, bomen en struiken helemaal inpakken. Enorme nesten van gesponnen draden geven bomen of struiken een spookachtige gedaante. In deze

Stofzaad (Monotropa hypopitys)

Het is een zeldzaam, vreemd plantje. Zeldzaam in de Hollandse en Zeeuwse duinen en zeer zeldzaam op de Waddeneilanden, in Midden-Nederland en in Noord-Brabant. Je kunt hem vinden in donkere (naald)bossen. Ze zijn ook gezien op landgoed Clingenbosch te Wassenaar

Stokjesknagerij

Hier is de Aardmuis (Microtus agrestis) verantwoordelijk voor, als hij lekker knaagt aan een stengel van de plant, de Pitrus. ‘s Winters knaagt hij ook aan boomschors, tot op 15 centimeter boven de grond. Hij leeft in een ondergronds gangenstelsel,

Strandduizendguldenkruid (Centaurium littorale)

De betekenis van de wetenschappelijke naam Centaurium komt van de centaur (half mens, half paard) Chiron, die beroemd was om zijn kennis van geneeskrachtige planten. De soortnaam littorale  betekent ‘kust’. De Nederlandse familienaam ‘duizendguldenkruid’ is een verkeerde vertaling van centaurium,

Strandgaper (Mya arenaria)

Dit is een hele grote schelp, een tweekleppig weekdier dat tot de familie Gapers behoort. Van oorsprong komen ze uit Noord-Amerika. De Vikingen hebben dit dier naar Europa gebracht. Ze leven in modderige en zandige bodems en worden tot circa

Strandleeuwerik (Eremophila alpestris)

Betekenis van de wetenschappelijke naam is Vogel die van woestijnen houdt en (ook) in bergen voorkomt. In Nederland kunnen strandleeuweriken in de winter langs de kust aangetroffen worden. In het broedseizoen bewonen strandleeuweriken heel verschillende landschappen. De in ons land

Strandmelde (Atriplex littoralis)

Deze plant is een kustbewoner en je vind hem zowel op het strand van de Zeeuws Deltagebied, Waddeneilanden als op het strand van Harlingen. Het is een indicator (= aanwijzer) voor een hoog zoutgehalte van de bodem. Hij staat het

Strandvlo (Talitrus saltator)

Er komen verschillende soorten strandvlooien op het Nederlandse strand voor. De Kwelderspringer is een soort strandvlo die aan de wadkant leeft. Ze zijn meestal te vinden tussen of onder de halfvergane, aangespoelde algen op zandstranden. Maar ze kunnen ook zwemmen.

Strandzandloopkever (Cicindela maritima)

Deze zandloopkever is niet zo algemeen: hij is zoutminnend en komt alleen voor in de kuststreken. Zijn dekschilden zijn donkerbruin tot bijna zwart maar doen onder de juiste lichtval groen tot paars aan door een iriserende metaalglans. Op de dekschilden

Strontmossen (Splachnaceae)

Foto: Verspreidingsatlas.nl Het zijn de bloemplanten onder de mossen. Hun sporenkapsels hebben gele, rode of violette kleuren. Ook produceren ze geurstoffen. Tijdens vegetatieonderzoek in het Witterveld bij Assen (2010) werd een koeienvlaai gevonden met het in Nederland sinds 1910 uitgestorven

Struikhei (Calluna vulgaris)

In de vroege Bronstijd ontstonden door grootschalig kappen van de Nederlandse bossen, de heideterreinen. Vanaf de middeleeuwen breidde de heide zich steeds verder uit. Einde 18de/begin 19de eeuw werd deze heide zeer intensief gebruikt als onderdeel van het agrarische systeem.

Tafeleend (Aythya ferina)

  De naam is omdat het als wildbraad vroeger een smakelijk gerecht was en op tafel werd geserveerd. De wetenschappelijke naam betekent ‘in het wild levende eend’. Het mannetje van de tafeleend trekt al in juni weg als het vrouwtje nog aan

Tamme Paardenkastanje (Castanea sativa)

Volgens een legende stamt de naam Kastanje uit de Romeinse mythologie: de jachtgodin Diana was op de vlucht voor oppergod Jupiter, die haar wilde verleiden. Maar Diana was hem te slim af en veranderde zichzelf in een tamme kastanje, waardoor

Tapijtkever (Gewone) (Anthrenus verbasci)

De gewone tapijtkever eet – als volwassen dier – stuifmeel en nectar. Als larve echter is ze zeer schadelijk. Ze vreten dan droog organisch materiaal zoals wollen stoffen. Ook in bijvoorbeeld collecties van musea kunnen de larven hevig huishouden. Vandaar

Taxus of Venijnboom (Taxus baccata)

De taxus had in de prehistorie al een hoog aanzien: hij blijft altijd groen en het hout is zeer duurzaam. Julius Caesar schreef al over de taxussen in Gallië. In Engeland en Frankrijk komen zeer oude en omvangrijke exemplaren voor, vooral

Teken (Ixodus)

Een teek is slechts een paar millimeter groot. Teken hebben een bijzondere levensloop van ongeveer drie jaar. Deze levensloop verloopt in fasen van elk ongeveer een jaar. Voor elk jaar is slechts een enkele bloedmaaltijd nodig, die meerdere dagen kan

Teunisbloemen (Oenothera)

Dit is een geslacht van zo’n 125 soorten planten. De soorten komen van oorsprong uit Noord- en Zuid-Amerika, maar zijn ondertussen ingeburgerd in vele landen. De plant kwam waarschijnlijk begin 1700 in Europa en werd in 1749 door de Zweedse

Texelaar

De schapen zijn op Texel al heel lang aanwezig, er zijn geschriften uit 1477 waaruit blijkt dat er toen al veel schapen op Texel liepen. Tot 1860 waren dit voornamelijk zogenaamde Pijlstaarten, een ongehoornd, sober ras met goede wol maar

Tijgerspin: zie Wespenspin

Tijm: zie Wilde Tijm

Tonderzwam of Tondelzwam (Fomes fomentarius)

Dit is een harde, hoefvormige houtzwam. Deze zwam is over het algemeen grijsachtig van kleur.  Hij kan wel een doorsnede van 50 centimeter hebben. Ze zijn te vinden op stammen van zowel levende als dode eiken, beuken en vooral berken.

Torenvalk (Falco tinnunculus)

De betekenis van de wetenschappelijke naam is: schel klinkende valk. Deze vogels ‘bidden’ – wat wil zeggen dat ze heel snel met de vleugels slaan en op dezelfde plaats in de lucht hangen om een prooi te beloeren. De torenvalk

Tormentil (Potentilla erecta)

De naam Tormentil komt van het Latijnse tormentum en betekent kwelling of marteling. De wortel was in gebruik als pijnstiller. Het kauwen op de wortel hielp tegen zweren en andere mondkwalen (vandaar de Friese naam Weewoartel). Een volksnaam is Schijtwortel: hij

Tortelduif: zie Zomertortel

Treurwilg (Gele) (Salix vitellina var. Pendula)

Het is een van de treurwilgen die veel wordt aangeplant als sierboom in tuinen en parken. De schors, die niet zelden dik is, is bleek grijsbruin en bevat een netwerk van ondiepe richels. De bladeren zijn smal en puntig en

Trilgras: zie Bevertjes

Trosvlier: zie Bergvlier

Tureluur (Tringa totanus)

In Groningen werd hij Kluun genoemd, naar een bepaald soort bier dat daar gebrouwen werd. In Zeeuws-Vlaanderen kreeg hij de namen Lieveken en Liewiet, vanwege zijn zang in het voorjaar. De bijnaam Tuimelaar wijst op zijn vlucht tijdens de voorjaarsbalts.

Turkse Tortel (Streptopelia decaocto)

De wetenschappelijke naam wil zeggen: ringduif 18. Volgens een mythologisch verhaal werd een klagende dienstmeid, om haar karig loon van 18 geldstukken, veranderd in een duif. Deze nam haar droevig klinkende geluiden over. Zijn geluid: één-twee-drie (hoger als de Tortelduif).

Uilen (Strigiformes)

Deze orde bevat bevat de volgende twee families: Uilen (Strigidae) en Kerkuilen (Tytonidae). Van de 177 soorten komen er slechts 8 in Nederland voor: Kerkuil, Ransuil, Bosuil, Velduil, Steenuil, Oehoe, Sneeuwuil en Ruigpootuil. De laatste drie soorten zijn niet algemeen,

Uilskuikens

Jonge uilen worden uilskuikens genoemd. Pasgeboren uilskuikens zijn helemaal bedekt met witte, zachte donsveertjes. Na verloop van tijd maken de donsveertjes plaats voor een echt verenkleed. Uilskuikens groeien hard. Binnen amper zeven weken zijn ze even groot als hun ouders.

Valeriaan: zie Echte Valeriaan

Valkruid of Wolverlei (Arnica montana)

De grote dichter en wetenschapper Johann Wolfgang Goethe (1749 – 1832) dronk op zijn sterfbed aftreksels van Arnica om de aftakeling van zijn lichaam te bezweren. De plant komt voor in het hooggebergte in Europa. In Nederland op vochtige heide

Vallende sterren

Een vallende ster zie je als een lichtstreep. Deze ‘ster’ valt naar de aarde toe. Maar het is geen echte ster, want die staan veel te ver van de aarde af. De lichtstreep die je ziet is in feite een

Valse Acacia: zie Robinia

Valse Hanekam of Valse Dooierzwam (Hygrophoropsis aurantiaca)

Hij kreeg de naam Valse Hanekam om niet in verwarring te komen met de Hanenkam of Cantharel. Deze paddenstoelen zijn een van de weinigen die dennennaalden afbreken! Ze zijn algemeen en je kunt ze vinden op strooisel, vooral in gemengde

Varkensgras (Gewoon) (Polygonum aviculare)

Dit is géén grassoort maar een plant en lid van de Duizendknoopfamilie. De botanische naam Polygonum betekent ‘veel knieën’ (van Oudgrieks poly = veel en gonu = knie). De stengel vertoont dan ook veel knopen, ook wel knieën genoemd. In de

Veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa)

Dit is geen mol maar een insect. De betekenis van de wetenschappelijke naam Gryllotalpidae is van het Latijnse gryllus = krekel en talpa = mol. Andere namen voor dit insect zijn aardkrekel of molkrekel, maar krekels en veenmollen behoren niet

Veenmos (Sphagnum cuspidatum)

Dit sporenplantje behoort tot de familie Bladmossen. Het groeit alleen in voedselarm regenwater. Het heeft geen vaatbundeltjes en worteltjes, wel rhizoïden (= wortelachtig orgaantje) en wateropnemende blaadjes. Het groeit van boven aan en sterft aan de onderkant af, maar verteert

Veenpluis (Eriophorum angustifolium)

Het is een plant die zoden vormt. Plaatselijk vrij algemeen in het noordoosten van het land, in Noord-Brabant en in Noord-Limburg De plant groeit op vochtige, zure grond, zoals (natte) heide, moerassen (zoals veenmosrietland), waterkanten en veen. De bloemen zijn erg

Veenreukgras (Hierochloe odorata)

De plant komt van nature voor in noordelijk Eurazië en Noord-Amerika. In Nederland vooral in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht: natte, matig voedselarme grond in gras- en rietlanden, langs het water en bosjes. Deze grassoort ruikt naar cumarine (hooi). In

Veenwortel (Persicaria amphibium)

De wetenschappelijke naam Persicaria komt van het Latijnse Prunus persica en betekent ‘perzikboom’. Dit is omdat het blad lijkt op dat van een perzikenboom. De soortnaam amphibium komt van het Latijnse amphibolus = dubbelzinnig: de plant groeit zowel op het

Veldkrekel (Gryllus campestris)

Mannetjes proberen met hun zang de vrouwtjes te lokken (melodieus, trillend en zeer snel herhaald kri-kri – en dat wel vijf keer per seconde!). De jonge krekeltjes in het voorjaar zijn geen larven zoals bij andere insecten, maar echte kleine

Veldlathyrus (Lathyrus pratensis)

De wetenschappelijke naam Lathyrus komt van het Griekse lathuros: de naam van een peulgewas. De soortnaam pratensis is van het Latijnse pratum = weide, beemd. De bloemen zijn licht geurend: typische vlinderbloemen. De plant komt algemeen voor op betere gronden

Veldleeuwerik (Alauda arvensis)

Zijn vroegere naam was Akkerleeuwerik. In Limburg ging het verhaal dat de leeuwerik met Maria Lichtmis op de ploegstaart ging zitten. Het werd dan voor de boer tijd om te gaan ploegen. Vanwege zijn mooie voorjaarszang kreeg hij onder andere

Veldmuis (Microtus arvalis)

De veldmuis is geen échte muis maar behoort tot de familie Woelmuizen. De wetenschappelijke naam Microtus komt van het Griekse mikrōtos = klein en ōtos = oor. De deelnaam arvalis komt uit het Latijn en betekent ‘bouwland’. Het is de

Velduil (Asio flammeus)

De betekenis van de wetenschappelijke naam: vlammende ooruil. Dit komt door de ‘vlammende’ gezichtsuitdrukking met de fel gele ogen in een donkere omtrek. De naam Esoele (Twente) hangt samen met zijn biotoop: met ‘es’ wordt hier bedoelt, het aangelegen bouwland

Venglansblad of Venglanswier (Nitella confervacea)

Dit is (sinds 2010) een nieuw soort kranswier in Nederland, waar nog geen officiële Nederlandse naam voor is. Het is één van de kleinere, bijzondere Nitella-soorten. Het is gevonden in 2010 in het Winkelsven, aan de zuidrand van natuurgebied De

Venijnboom: zie Taxus

Vennemaand: zie Juli

   

Verfbrem (Genista tinctoria)

Dit is een oud verstof gewas. Vanaf de 14de eeuw verfde men – met een aftreksel van de bloem - wol en linnen geel en ook groen. Men doopte stof namelijk eerst in de gele kleurstof van de struik en vervolgens

Vergeet-mij-nietje: zie Moerasvergeet-mij-nietje

Verlanding

Als men de natuur haar gang zou laten gaan, zou op den duur al het stilstaande, zoete water door verlanding en veenvorming worden omgezet in land. Dit gebeurt als afgestorven, maar onafgebroken plantenresten worden overgroeid door nieuwe planten. Onder die

Vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus)

Dit felrode insect is ontdekt in de zomer van 2012 in de buurt van een bosgebied bij Maarheeze, in een gebied van Staatsbosbeheer. De soort is nooit eerder aangetroffen in Nederland en het is een zeldzame soort  in de rest

Vetblad (Gewoon) (Pinguicula vulgaris)

Een zeldzame, vleesetende plant. Hij leeft van insecten. Deze blijven op de slijmerige laag van het blad plakken. Het blad rolt zich direct op, waardoor het insect wordt verteerd. De blaadjes hebben een kenmerkende zeestervorm. De plant is te vinden

Vetje (Leucaspius delineatus)

Dit is een klein blijvende karperachtige vissoort. Ze komen plaatselijk in grote scholen voor, meestal aan de oppervlakte van open water. Hij heeft doorschijnende schubben. De borstvinnen worden vaak horizontal gehouden en ze zijn vrij breed: dat is kenmerkend voor

Vijverloper (Gewone) (Hydrometra stagnorum)

De wetenschappelijke naam Hydrometra is, evenals de Engelse naam, Water measurer, goed vertaald: waterloper met afgemeten stappen. Vijverlopers zijn hele dunne wantsen, beter gezegd oppervlaktewantsen. Ze zijn vrij algemeen, maar komen niet in zulke grote aantallen voor als de Schaatsenrijders.

Vingerhoedskruid (Gewoon-) (Digitalis purpurea)

De Nederlandse naam is vanwege de bloemkelken: deze lijken wel op vingerhoedjes. De bloemkelken worden veel bezocht door Bijen (voor de bestuiving, maar ook om te schuilen bij regen). De plant is giftig en bevat digitaline, een middel dat de

Vingerwier (Laminaria digitata)

Dit is een bruinwiersoort die te vinden is bij Texel, Den Helder, Westkapelle en bij Neeltje Jans. De Nederlandse naam is vanwege het brede ‘blad’, dat is onderverdeeld in vingervormige deelbladeren. Ze kunnen wel 2 meter lang worden. De steel

Vink (Fringila coelebs)

De Latijnse naam betekent vrijgezellenvink en slaat op de gescheiden trek: de mannetjes gaan naar Zweden en de vrouwtjes vertrekken naar het Zuiden. Zijn bijnamen zijn onder andere Boekvink, Botvink of Charlotte. De zang, waarvan de laatste tonen de ‘vinkenslag’

Vinpootsalamander (Lissotriton helveticus)

Ook wel Zwemvoetsalamander of Draadstaartsalamander genoemd. Het is de kleinste Nederlandse salamander (lengte circa 9 centimeter). De mannetjes zijn bruin tot olijfgroen. Ze bezitten een draad aan de punt van hun staart en lijsten op de overgang van de rug

Visarend (Pandion haliaëtus)

Betekenis van de wetenschappelijke naam: zeearend Pandion. In de Griekse mythologie is koning Pandion de vader van Nisos, welke later in een Zeearend werd veranderd. De bovendelen zijn egaal van kleur, van onderen is ie bruin, onderdelen zilverwit. Borst soms

Visdief(je) (Sterna hirundo)

De wetenschappelijke naam wil zeggen: zwaluwachtige stern. Deze vogel duikt steil omlaag in het water om een visje te vangen. Vandaar de volksnamen Fisk(j)edief (Friesland) en Vissepikkertje (Noord-Holland). Bidt tijdens het naar voedsel zoeken regelmatig en duikt om een visje

Vlaamse Gaai (Garrulus glandarius)

De betekenis van zijn wetenschappelijke naam is: voortdurend krassende eikelzoeker. Deze vogel heeft de gewoonte om heel veel eikels te verstoppen, men zegt als appeltje voor de dorst. Ze kunnen wel zes tot acht eikels tegelijk achter hun wangen verbergen

Vlas (Linum usitatissimum)

De Zweedse natuurvorser Carolus Linnaeus (1707- 1778) gaf het vlas een tweede naam ‘de zeer nuttige’. Vlas is al een zeer oude cultuurpplant. Egyptenaren en Hebreeën verbouwden al vlas voor de fabricage van linnen. Behalve linnen bestaat er namelijk nog

Vlasleeuwenbek of Vlasbekje (Linaria purpurea)

De wetenschappelijke naam Linaria komt van het Latijns linum = vlas. De naam Leeuwenbek heeft te maken met de vorm van de oranjegele bloem, die bij samendrukken lijkt op een opengesperde bek. Een plant, waarvan een aftreksel in de middeleeuwen

Vleermuizen (orde Chiroptera)

Ze worden ook wel Handvleugeligen genoemd. De hand van een vleermuis heeft, net als bij de mens, vijf vingers. Er zijn zo’n 1000 soorten bekend: in Nederland leven 17 soorten. In de 16de eeuw ging men ervan uit dat de vleermuis

Vliegden

Dit is de naam voor een grove den in het wild. Ontkiemd uit niet-geselecteerd zaad gaat hij spontaan ergens groeien. De jonge boompjes worden aangevreten door konijnen of reeën. Als ze dan ook nog eens in het open veld staan,

Vliegend Hert of Hertkever (Lucanus cervus)

Dit is de grootste kever van Nederland, zelfs van Europa. Vooral de mannetjes met grote, gewei-vormige kaken hebben een grootte tot bijna 9 centimeter. De imposante kaken worden vooral gebruikt om indruk op de vrouwtjes te maken, soms om mee

Vliegenzwam (Amanita muscaria)

Dé paddenstoel van het bekende kinderliedje: Op een grote paddenstoel, rood met witte stippen…..  Vliegenzwammen groeien vaak in nauwe associatie (symbiose) met berk, tamme kastanje, eik, den, beuk en spar. Ze vormen een ectomycorrhiza, wat betekent dat het mycelium niet

Vlier (Gewone-) (Sambucus nigra)

Deze struik heeft een late bloei, heeft zwarte bessen en wit merg. De vlier behoorde tot de heilige bomen van de Germanen. De boom was gewijd aan Donar, god van de donder. In de noordelijke streken van Europa plantte men

Vlinders of Schubvleugeligen (Lepidoptera)

De wetenschappelijke naam betekent letterlijk: lepido = schub en pteron = vleugel. Het slaat op de geschubde vleugels. De studie naar vlinders wordt Lepidopterologie genoemd. Van de Vlinders zijn er circa 160.000 soorten beschreven. Er komen 53 soorten dagvlinders voor

Vogelkers (Inlandse) (Prunus padus)

De bloemen van deze vogelkers hebben de geur van amandel. Het is een echte luizenboom/struik. Toch wordt hij vaak als sierboom geplant vanwege de mooie witte bloemen. De vogelkers trekt allerlei dieren aan: ree, edelhert, haas, konijn, appelvink, groenling, lijsterachtigen

Vogellijm: zie Maretak

Vogelmelk (Gewone) (Ornithogalum umbellatum)

De wetenschappelijke naam Ornithogalum  komt van het Griekse ornis = vogel en gala = melk. De soortnaam umbellatum van het Lantijnse umbella = scherm: bloemen in schermen bij elkaar. Oude bijnamen zijn onder andere Akermannetjes, Morgenster en Nakende manentjes. Bladeren beginnen

Vogelmuur (Stellaria media)

De wetenschappelijke naam Stellaria: stella = ster, met stervormige bloemen. De deelnaam media komt van het Latijnse medius = middelste. Volksnamen zijn Stermuur, Witte Muur, Erf, Ganzekruid, Hennemier, Hoenderheet, Murik, Miert, Vogelsterrekruid. Deze plant bloeit het hele jaar door: van

Vogelnestje (Neottia nidus-avis)

Dit is een zeer veeleisende orchidee en daardoor erg zeldzaam. Het is een indicator voor een oud, inheems bos. het vogelnestje leeft samen met schimmels in de bodem. De wortelstok is kort met vele dikke, vlezige, ‘vogelnestachtig’ gerangschikte wortels (naam).

Vogelpoten

Er zijn verschillende soorten vogels met allemaal verschillende soorten poten. – Looppoten: met lange nagels aan hun achterteen (zorgen voor evenwicht bij sterke wind). Ze fungeren als extra steun en ze zijn ook om te scharrelen (hoenderachtigen, kraaiachtigen, leeuweriken). -

Vogels in de Symboliek

Een vogel is het symbool van hoge idealen. Inspiratie en boodschapper van ver weg en van de doden (kraai). Eeuwig leven, gevleugelde ziel, spiritualiteit, lucht. Vogel (vliegend): Wedergeboorte. Vogel (op boomtak): onderlinge liefde. Vogel (in een kooitje): maagdelijkheid. Als het

Vogeltrek

Dagtrekkers Zoals de Zwaluwen (deze kunnen dan overdag insecten vangen). Dagtrekkers vertrekken een half uur voor zonsopgang. De mannetjes blijven het dichtst bij het broedgebied, de vrouwtjes trekken iets verder en de jongen nog iets verder. Deeltrek Kieviten blijven na

Vogelveren

De veren spelen een belangrijke rol bij de temperatuurregulatie van vogels: vogels hebben een constante temperatuur van circa 42 graden Celsius. Er zijn vier soorten veren: Donsveren: deze zorgen voor de isolatielaag. Ze missen de baardjes en haken, waardoor ze

Vogelwikke (Vicia cracca)

De wetenschappelijke naam Vicia komt van het Latijnse vincire = binden, omwinden: de plant zoekt door middel van ranken, steun bij andere planten. De verklaring voor de soortnaam cracca is onbekend. Dit is een plant uit de Vlinderbloemenfamilie. De plant

Voorjaar

Ik had vergeten hoe het was en dat de lente niet stil bloeien, zacht droomen is, maar hevig groeien, schoon hartstochtelijk beginnen, opspringen uit een diepe slaap, wegdansen zonder te bezinnen. (M. Vasalis in “Voorjaar”) De andere naam voor de

Vos (Vulpes vulpes)

Dit zijn hoofdzakelijk nachtdieren. Zijn kostje bestaat uit allerlei dieren: konijnen, veldmuizen, insecten, wormen, maar ook vruchten (met name in het najaar). De uitwerpselen hebben vaak resten blauwe bosbessen, bezitten aan één kant ‘n puntje en zijn soms te vinden

Vosgans: zie Nijlgans

Vossenbes: zie Rode Bosbes

Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans)

Deze knoflookachtige pad komt van nature alleen in Zuid-Limburg voor. De soort wordt aangetroffen op ruderale plaatsen (groeven, oude bebouwing en kerkhoven) en in hellingbossen en graften (zie aldaar). De vroedmeesterpad heeft zijn naam te danken aan het feit dat

Vroegeling (Erophila verna)

De wetenschappelijke naam Erophila is afkomstig van het Griekse er = voorjaar en van phile = houden van. Men heeft nog een andere verklaring. Erophila zou komen van de Franse botanicus Jordan Erophila, die deze soort goed heeft beschreven en

Vrouwenmantel (Alchemilla vulgaris)

De wetenschappelijke naam Alchemilla is vanwege het gebruik van de plant door alchemisten. Zij verzamelden de druppels die ’s morgens op de plant liggen (deels door de dauw, deels door de plant zelf veroorzaakt) om er de Steen der Wijzen mee

Vuilboom: zie Sporkehout

Vuursalamander (Salamandra salamandra)

Ook genoemd Gevlekte Landsalamander of Goudsalamander. De wetenschappelijke naam komt van het Perzische woord samandar: sām = vuur en andarūn = binnenin. Al sinds de middeleeuwen wordt hij beschouwd als een bijzondere soort die een rol speelt binnen de alchemie. Heel

Wantsen (Heteroptera)

Boswants Van de vele tienduizenden soorten, komen er 617 soorten (inventarisatie 2005) in Nederland voor. Wantsen lijken op kevers maar zijn het niet, ze hebben geen kaken. Ook kennen ze geen volledige gedaanteverwisseling zoals kevers (eitje, larve, pop, volwassen imago),

Waterdrieblad of Waterklaver (Menyanthes trifoliata)

Dit is een waterplant die in Nederland al in de 16de  eeuw voorkwam en waarvan het gedroogde blad als surrogaat voor tabak werd gebruikt. Wat typisch is, is dat de bladeren aan de uiteinden van de stengels groeien. Plaatselijk vrij

Waterhoen(tje) (Gallinula chloropus)

Zijn wetenschappelijke naam staat voor: groenpotig kippetje. Hij kent veel streeknamen, bijvoorbeeld Waterkippetje (Texel), Wetterhounder (Groningen), Waterhuneke (Achterhoek), Poelendje en Modderkuke (Zuid-Limburg). Omdat het lijkt alsof de vogel met zijn lange tenen over de waterplanten loopt, wordt ie in Brabant Jezuskippetje

Waterkever: zie Grote Spinnende Watertor

Waterlelie (Nymphaea alba)

De wetenschappelijke naam Nymphaeae komt van het Grieke nymphe = waternimf. Ze werd vaak met watergeesten of geesten van verdronkenen in verband gebracht. Het Latijnse alba betekent wit. De witte kleur was een symbool voor volledige reinheid. Vrij algemeen in

Watermunt (Mentha aquatica)

De naam Mentha komt uit een sage van Ovidius: de dochter van de watergod Cocytus, Menthe (of Minthe) geheten, werd door Hades, god van de onderwereld, bemind. Door de jaloerse echtgenote (Persephone) van Hades werd zij in een plant verandert.

Waterpeper (Persicaria hydropiper)

De plant is een vocht- en stikstofindicator. Als je een stukje blad of stengel in je mond stopt, proef je de scherpe pepersmaak (herkenning). In Friesland heet ie Bitterblêd. De Franse naam is ‘Poivre d’ea’, maar kan niet echt als peper

Waterral (Rallus Aquaticus)

De wetenschappelijke naam wil zeggen: sputteraar die aan het water leeft. Hij wordt in de Kempen betiteld als Moerasvarken. Het gekrijs van deze watervogel wordt vergeleken met een gillend speenvarken. Je ziet hem zelden, hij leeft verborgen in het riet.

Waterranonkel (Gewone) (Ranunculus aquatilis)

Ook genoemd Fijne-, Grote-, Haarblad- Penseelbladige-, Schildvormige Waterranonkel. En of dat nog niet genoeg is kennen we ook de naam Waterboterbloem. De soort is over een groot deel van Europa verspreid; ook in Centraal- en Oost-Azië, tropisch Zuid-Afrika en Noord-Amerika

Watersnip (Gallinago gallinago)

Betekenis van de wetenschappelijke naam : hen of kip. Hij kent veel bijnamen waaronder Luchtschaap (Betuwe, Terschelling), Gunterbokkie = hinnekend bokje (Drente), Bletterlamke (Salland) en Trommelaar (Noord-Brabant). Hij broedt in vochtig grasland en open rietveld. Het nest is een kuiltje vlakbij

Waterspitsmuis (Neomys fodiens)

De waterspitsmuis is de grootste spitsmuis van alle Europese spitsmuizen. Texel is het énige Waddeneiland waar deze muis voorkomt. Daar zijn ze kleiner dan hun soortgenoten op het vasteland en ze hebben een geheel zwarte vacht. Ze graven gangen in

Waterspreeuw (Gewone-) (Cinclus cinclus)

Waterspreeuwen zijn vogels die voorkomen bij stromend water. Binnen Europa worden verschillende variëteiten (ondersoorten) onderscheiden. In Midden- en West-Europa (inclusief de Britse Eilanden) hebben de waterspreeuwen een bruinrode kleur op de onderbuik, vogels uit Scandinavië en Finland zijn daar zwart.

Watertor: zie Grote Spinnende Watertor

Waterviolier (Hottonia palustris)

De wetenschappelijke naam Hottonia is afgeleid van Hotton: rond 1700 vernoemd naar de Nederlandse hoogleraar Biologie, Peter Hotton (1648-1709). De deelnaam palustris is Latijns en betekent moerasbewonend: dit wijst op de groeiplaats van de plant. Er zijn twee verklaringen voor

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Deze vleermuis heeft een korte, fladderende vleugelslag, waardoor hij dicht over het water kan scheren. Zo kan hij zijn prooi pakken (pas uitgekomen eendagsvliegjes, muggen, schietmotten), die juist het water wil verlaten. Hij komt vooral voor in het laagland en jaagt

Watervlo (Gewone) (Daphnia pulex)

Watervlooien kunnen eieren ontwikkelen, zonder dat er een mannetje aan te pas komt. Tenminste als de omstandigheden gunstig zijn. Er zijn ook een groter aantal vrouwtjes. In de eierstokken van de vrouwtjes ontstaan uit de zogenaamde moedercellen telkens vier eicellen.

Waterzuring (Rumex hydrolapathum)

In Friesland Hantsjeriis genoemd. Een oud verhaal uit het begin van de jaartelling gaat over de Friezen die bekend waren met kruidengeneeskunde. De Romeinen waren ergens in Germanië gelegerd. In die omgeving was slechts één zoetwaterbron om uit te drinken.

Wederik (Lysimachina clethroides)

De naam Wederik is afgeleid van wede = wilg. Op Goeree wordt de plant Wilde wilg genoemd, omdat het blad lijkt op wilgenblad. De wetenschappelijke naam Lysimachie is de naam van een Griekse veldheer. Hij zou de koortsverlagende werking van

Weekdieren of Mollusca

Er bestaan meer dan 100.000 soorten Weekdieren. Hoewel ze qua uiterlijk allemaal kunnen verschillen hebben ze toch dezelfde bouw: kop, romp en mantel. Hun weke lichaam heeft geen skelet. Aan de onderkant van de romp bevindt zich een voet, die

Wegedoorn (Rhamnus cathartica)

Het Latijnse woord Rhamnus gold destijds voor diverse gedoornde struiken. Catharticus betekent purgerend, dat wil zeggen ‘darmreinigend’. Uit het groene vruchtvlees van deze plant wonnen kunstschilders vroeger een groene verfstof. Dankzij zijn medicinale eigenschappen is de wegedoorn een van de

Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens)

Deze juffersoort komt in Nederland vrij algemeen voor. De soort is over heel Europa verspreid. Je kunt ze vinden bij schone, stromende beken en weteringen. Door kanalisatie van beken in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw, is de

Welriekende Nachtorchis (Platanthera bifolia)

De witte bloemen van deze orchidee geurend ’s avonds en ’s nachts heerlijk. Wordt door nachtvlinders bestoven. De plant heeft twee knollen, een oude en een jonge voor de opslag van reservevoedsel. Oude bijnamen zijn Geurende Orchis en Koekoeksbloem. De

Wenteltrapje (Epitonium clathrus)

Dit slakje van circa 4 centimeter komt voor langs de gehele West-Europese kust. Langs het Nederlandse strand worden de schelpen vrij regelmatig gevonden. Levende dieren zijn zeldzaam en komen alleen in het Deltagebied voor. De meeste wenteltrapjes die je op

Wespen (Hymenoptera)

Het wetenschappelijke naamgedeelte Hymen is Grieks voor vlies: de vleugels zijn vliezig. Grofweg kun je Wespen in twee groepen indelen: mét taille en zonder taille. Er bestaan wereldwijd 50.000 soorten Wespen. De meest bekende soorten uit Nederland zijn: hoornaar, Duitse wesp,

Wespendief (Pernis apivorus)

De wetenschappelijke naam betekent ‘Behendige bijenverslinder’. Het is de énige roofvogelsoort in Nederland, waarvan de jongen hun poep niet over de nestrand spuiten maar óp de rand! Zoals zijn naam al aangeeft, is zijn voedsel wespen, maar dan wel de

Wespenspin of Tijgerspin (Argiope bruennichi)

Dit is een grote, opvallende spin. De vrouwtjes hebben gele en zwarte golvende strepen. Het mannetje is een stuk kleiner dan het vrouwtje is en heeft een dofbruine kleur. Ze maken een stevig wielvormig web in het gras. Als er een te

Wezel (Mustela nivalis)

De wezel is het kleinste Europese roofdier en behoort tot de Marterachtigen. Het is een felle jager die overdag en ’s nachts actief is. Anders dan andere Europese roofdieren kan een wezel al in zijn eerste zomer jongen voortbrengen. Helaas

Wielewaal (Oriolus oriolus)

De wetenschappelijke naam wil zeggen ‘De goudgele vogel’. In Friesland komt de naam Pierewyt voor en in Limburg wordt hij soms Pinkstervogel genoemd. Een bekend liedje waarin de vogel wordt genoemd “Kom mee naar buiten allemaal dan horen wij de

Wieren: zie Algen

Wijngaardslak (Helix pomatia)

De grootste slak van Nederland, met een huisje tot 5 centimeter. Voor de bouw van het huisje is kalk nodig en dus komt de slak alleen in kalkrijke gebieden voor (hier in Zuid-Limburg). Onder de naam escargot staat hij op

Wild Zwijn of Everzwijn (Sus scrofa)

Het woord ever is vermoedelijk afkomstig van het Duitse woord eber (= mannelijk zwijn). Oorspronkelijk komt het dier uit Azië. Het wilde zwijn was lang niet inheems in Nederland, het laatste wild zwijn werd in 1826 waargenomen. Maar dat veranderde toen in

Wilde Akelei (Aquilegia vulgaris)

De wetenschappelijke naam is afkomstig van het Latijnse Aquilegia (arend), omdat de bladeren zouden lijken op de klauwen van deze vogel. De Nederlandse naam is afgeleid van het Germaanse Ak en betekent ‘puntig’. Dit slaat op de sporen/hauwen van de

Wilde Bertram (Achillea ptarmica)

Men heeft twee verklaringen voor de Nederlandse naam: -De plant was al bekend in de Germaanse tijd. Het woord is een samenstelling van Bertha = ‘glanzend’ (de witte kroonblaadjes) en Hramma  = ‘’raaf’. Wilde Bertram is een vorm van beeldspraak

Wilde Cichorei (Cichorium intybus)

De wetenschappelijke naam  Cichorium is samengesteld uit de Griekse woorden kioo = weggaan  en choorion = naast het veld groeiend. Een vrije vertaling voor ‘ik ga langs het veld’. De soortnaam intybus betekent ‘melksap‘ en is een leenwoord uit het Arabisch. De

Wilde Hyacint of Boshyacint (Hyacinthoides non-scripta)

Plaatselijk vrij algemeen langs de binnenduinrand, in 1767 voor het eerst als inheems vermeld. Elders, in bosgebied, vaak verwilderd of als stinzenplant aanwezig. Vooral op Texel, in de Hollandse duinen, op Walcheren, in Friesland en langs de Vecht is de

Wilde Kamperfoelie (Lonicera periclymenum)

De wetenschappelijke naam Lonicera werd door Linnaeus genoemd naar de Duitse botanicus Adam Lonitzer (1528-1586). De soortnaam periclymenum is de naam van een argonaut uit de Griekse mythologie. Zijn grootvader, de zeegod Poseidon, gaf hem een onvoorstelbare kracht. Een goed

Wilde Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)

De wetenschappelijke naam is een Latijnse naam: Europese te goeder naam bekend staande plant. Dit was ironisch bedoeld. Er wordt gewezen op het gif van de vruchten dat vroeger gebruikt werd om hoofdluizen te verdelgen. De Nederlandse naam heeft te

Wilde Kers of Zoete Kers of Boskriek (Prunus avium)

Zijn oorspronkelijk verspreidingsgebied is heel uitgestrekt. Waarschijnlijk van West-Siberie tot de Atlantische kust en de Britse eilanden. Archeologische ontdekkingen bevestigen de aanwezigheid van verschillende kersenbomen in Europa al in het Neolithicum (11.000 v. Chr). In ons land hier en daar

Wilde Marjolein (Origanum vulgare)

De wetenschappelijke naam Origanum betekent letterlijk ‘bergvreugd’. De soortnaam vulgare is van het Latijnse vulgus = massa. De plant stond lange tijd bekend als vrolijk, opwekkend middel: bij zware inspanningen, zoals bergbeklimmen, kauwde men op de bladeren. Oude volksnamen zijn

Wilde Peen (Daucus carota)

De wetenschappelijke naam Daucus is een oude Griekse plantnaam en carota komt van het Latijnse carotus = wortel. Door opgravingen is bekend dat de soort circa 2200 v. Chr. al bij Spijkenisse aanwezig was, rond 1250 v. Chr. bij Oss

Wilde Radijs: zie Knopherik

 

Wilde Reseda (Reseda lutea)

De wetenschappelijke naam Reseda komt van het Latijnse resedare en betekent ‘doen bedaren’. Dit duidt er op dat de plant vroeger als geneesmiddel werd gebruikt tegen zwellingen. De soortnaam lutea komt van het Latijns luteus en wordt op twee manieren

Wilde Tijm (of Kleine- Kruipende- Veld Tijm) (Thymus serpyllum)

Het wetenschappelijke Thymus betekent parfumeren. Ook wel Kwendel genoemd. Grieken en Romeinen gebruikten het kruid al. De Romeinen brachten het waarschijnlijk mee naar West-Europa. Het werd gebruikt bij het balsemen en het uitroken van kamers en kleren. Tijm is een

Wildemanskruid (Pulsatilla vulgaris)

De wetenschappelijke naam Pulsatilla komt van het Latijnse pulsare = kloppen. Dit vanwege de bloemen die door de wind op en neer slaan. Het woord vulgaris betekent algemeen voorkomend. Maar dit laatste is niet meer juist. Tot 1968 groeide de

Wilgen (Salix)

Het geslacht Salix omvat ongeveer 300 soorten, waarvan er een twaalftal in Nederland en België voorkomt, onder andere bandwilg, bittere wilg, boswilg, geoorde wilg, grauwe wilg, katwilg, schietwilg. De zachte, donzige katjes zijn in het voorjaar één van de allereerste

Wimperzwam (Gewone) (Scutellinia scutellata)

Dit is de meest voorkomende wimperzwamsoort in Nederland. Het is een saprofiet (zie aldaar), die in groepjes leeft op vochtig, rottend plantaardig materiaal en verrot hout, vooral in vochtige bossen en weilanden. De rand is gewimperd met opvallend lange, donkerbruine haren

Winde (Leuciscus idus)

Dit is een zoetwatervis die tot de familie der Karperachtigen behoort. Hij wordt ook wel Zilverwinde genoemd. De vis komt voor in open water. Het oog van de winde is kleurloos, de vinnen zijn rozerood. Oudere windes krijgen ook een

Windepijlstaart (Agrius convolvuli)

Dit is een grote nachtvlinder uit Zuid-Europa, Noord-Afrika, Azië en heeft een zeer lange roltong . Deze kan wel 15 centimeter lang zijn. Hierdoor is hij in staat te foerageren (= voedsel zoeken) op bloemen waarin de nectar heel diep

Winterakoniet (Eranthis hyemalis)

Deze plant is vrij zeldzaam. Je ziet de winterakoniet vooral in Groningen, Zuid-Limburg, het rivierengebied, en in Noordwest-Friesland. Al heel vroeg in het voorjaar bloeit dit plantje samen met de sneeuwklokjes. Het is afhankelijk van de temperatuur of dat vroeg is

Wintereik (Quercus petraea)

Bij deze eik zit het eikeltje niet aan een steel maar zit het blad wel aan een kort steeltje. De eikeltjes zitten in groepjes van 3 tot 7 bij elkaar: de helft van een eikeltje zit in een hoedje. Het

Winterkoninkje (Troglodytes troglodytes)

De wetenschappelijke naam betekent ‘Holbewoner’. De naam Winterkoninkje komt vanwege de volgende legende. Er moest gestreden worden om de titel ‘koning’. De adelaar dacht dat hij dat gemakkelijk zou kunnen behalen, hij kon tenslotte het hoogste vliegen van alle vogels.

Winterlinde (Kleinbladige linde) (Tilia cordata)

De betekenis van de wetenschappelijke naam is afgeleid van het Griekse woord tilos = vezel. De bastvezels werden vroeger gebruikt bij het maken van schoeisel en touw. De soortnaam cordata betekent hartvormig en dat slaat op de bladvorm. De bladeren

Winterpostelein (Portulaca oleracea)

De soortnaam ‘oleracea’ wijst op het gebruik als groente. De soort komt van nature voor in India en het Midden-Oosten. Ze is waarschijnlijk oorspronkelijk in onze streken ingevoerd door de Romeinen. De wilde postelein heeft liggende, gladde, roodachtige stengels en

Wisent of Europese bizon (Bison bonasus)

Ooit waren de Wisenten ook inheems in Nederland. Op de bodem van de Noordzee zijn wisentbotten gevonden, die stammen uit de periode vlak na de laatste ijstijd. Zo’n 1000 jaar geleden verdween de Wisent echter uit Nederland. In de Belgische

Witte Dovenetel (Lamium album)

Deze plant heeft een behaarde, vierkante stengel. De volksnamen zijn onder andere Suikertje, Engeltjeseten (vanwege de vele nectar in de bloem). De plant lijkt op de Brandnetel maar is er geen familie van. De deelnaam ‘dove’ – in tegenstelling tot

Witte klaver (Trifolium repens)

De wetenschappelijke naam Trifolium komt van het Latijnse tri = drie en folium = blad: een blad bestaat uit drie kleinere blaadjes. De deelnaam repens van het Latijnse repere = kruipen, kruipende plant. Dit bekend plantje zie je op braakliggende

Witte klaverzuring (Oxalis acetosella)

De wortelstokken zijn roodachtig en dragen roze schubben. De planten komen vaak voor in grote groepen. De wetenschappelijek naam Oxalis is van het Griekse oxys  = zuur en het Latijnse acetosella = naar azijn smakend. Het hoge gehalte aan oxaalzuur

Witte Kwikstaart (Motacilla alba)

Deze kwikstaart volgt graag machines, zoals een ploeg, die de grond loswoelen. Vandaar de bijnamen Ploegertje (oostelijk Noord-Brabant), Ploegdrijverke (Land van Cuijk) en Bôônzaojertje (Schouwen). In Zeeland komt de naam Paerdewachertje voor: heel toepasselijk, omdat de witte kwik als typische

Witte Paardenkastanje (Aesculus hippocastanum)

Ook Wilde Kastanje genoemd. De geslachtsnaam Aesculus betekent  ‘Eik met eetbare eikels’, eigenlijk zijn de vruchten niet echt eetbaar, behalve voor geiten en varkens. De naam Aesculus werd dus gebruikt voor een Eikensoort, die volgens de Romeinse amateur-wetenschapper, Plinius de

Witte Postelein of Winter Postelein (Claytonia perfoliata)

De naam Claytonia komt van John Clayton, een botanicus uit de 17de eeuw. De naam perfoliate (‘perforeren’) is afgeleid van de manier waarop de stengel twee bladeren perforeert. De kale stengels zijn lichtgroen of rood aangelopen. Vaak groeien de planten in

Woelrat of Waterrat (Arvicola amphibius)

De woelrat zwemt uitstekend: tijdens het zwemmen komt het lichaam vrij hoog boven water uit. De buitenkant van de achtervoeten is voorzien van lange haren. Een echte holbewoner, die lange gangen graaft. Ze leven in niet verontreinigend water, zoals langs

Wolfskers (Atropa belladonna)

De plant bevat in alle delen dodelijk giftige alkaloïden: deze werken remmend op het slijmvlies (dorstgevoel). Eerst treedt verdoving op, daarna volgen verlamming en shock. Atropine werkt ook pupilverwijdend, wat vroeger vrouwen ertoe bracht de ogen in te druppelen met

Wolfspoot (Lycopus europaeus)

De Nederlandse naam slaat op het blad, dat zou op een wolfspoot lijken. De plant levert een zwarte verfstof, waarmee kwakzalvers zich inwreven om als mysterieuze oosterlingen hun waren te kunnen aanprijzen. In Engeland kreeg hij daarom de naam ‘Gipsy wort’ =

Wollig Zorggras: zie Gestreepte Witbol

Wolverlei: zie Valkruid

Social Widgets powered by AB-WebLog.com.