Holoceen of Alluvium (10.000 jaar geleden-heden)

Grieks: holos = compleet en ceno = nieuw. Het is het jongste tijdvak. Tijdens deze periode is het Nederlandse landschap in grote mate gevormd. Door de stijgende temperatuur nam de begroeiing geleidelijk toe en ontdooide de ondergrond steeds meer. Rivieren voerden grote hoeveelheden zand en klei met zich mee en de Noordzee liep vol.

Wanneer de rivieren buiten hun oevers traden werd zand en klei afgezet en er ontstonden stroomruggen en zandige oeverwallen. De toendravegetatie met korstmossen, mossen en kruiden en hier en daar dwergberkjes veranderde in een steppelandschap met veel grassen. Toen de temperatuur in de zomermaanden meer dan 10 graden Celsius was, ontwikkelden zich grote naaldbossen met wolven, lynxen en elanden. Bij nog hogere temperaturen werden de naaldbossen steeds meer vervangen door loofbossen met hazelaar, els, eik, iep, linde, es en uiteindelijk ook de beuk.
De dieren van de toendra verhuisden naar meer noordelijke gebieden. Een aantal soorten grote zoogdieren onder andere mammoet, wolharige neushoorn en reuzenhert stierven uit. Inmiddels was het reliƫf (= verschil in hoogte) ontstaan zoals wij dat nu nog kennen: in het oosten en zuiden van ons land liggen de hoger gelegen dekzanden uit de laatste IJstijd nog aan de oppervlakte. Langs de grote rivieren ontstonden grote moerasbossen en veengebieden. Het Waddengebied en meren en vennen ontstonden in deze periode eveneens.

Geplaatst in H, Natuurwoordenboek

Social Widgets powered by AB-WebLog.com.